Civiel recht overig
10 september 2004 Eerste Kamer Nr. C03/146HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De…
Hoge Raad, 10 september 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO9553 · Hoge Raad · 10 september 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ao9553
Zaakgegevens
Op 10 september 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 september 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C03/146HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P. Garretsen
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AO9553
Samenvatting
10 september 2004 Eerste Kamer Nr. C03/146HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vader], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [De zoon], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 10 september 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AO9553
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 september 2004
ECLI:NL:PHR:2004:AO9553
Uitspraak
10 september 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/146HR
RM/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De zoon],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de vader - heeft bij exploot van 29 december 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de zoon - gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en gevorderd de zoon te veroordelen aan de vader te betalen een bedrag van ƒ 57.372,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 december 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
De zoon heeft de vordering bestreden.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 26 april 2000 op 11 juli 2000 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 30 mei 2001 de vordering afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij tussenarrest van 7 mei 2002 heeft het hof partijen tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoor heeft het hof bij eindarrest van 10 december 2002 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen zoon is verstek verleend.
De zaak is voor de vader toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de vader in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de zoon begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 10 september 2004.