Civiel recht overig
11 maart 2005 Eerste Kamer Nr. C04/041HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE…
Hoge Raad, 11 maart 2005
ECLI:NL:HR:2005:AR7926 · Hoge Raad · 11 maart 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-ar7926
Zaakgegevens
Op 11 maart 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 maart 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C04/041HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B.D.W Martens, aanvankelijk mr. M.E.M.G Peletier
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AR7926
Samenvatting
11 maart 2005 Eerste Kamer Nr. C04/041HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE KOOPSOMMER B.V., gevestigd te Bussum, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. B.D.W. Martens, t e g e n AEGON NEDERLAND N.V., gevestigd te 's-Gravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. M.E.M.G. Peletier, thans mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 11 maart 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AR7926
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 maart 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AR7926
Uitspraak
11 maart 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/041HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE KOOPSOMMER B.V.,
gevestigd te Bussum,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,
t e g e n
AEGON NEDERLAND N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. M.E.M.G. Peletier,
thans mr. R.S. Meijer.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: De Koopsommer - heeft bij exploot van 30 juni 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: Aegon - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
primair: Aegon te veroordelen aan De Koopsommer om niet een passende assurantieportefeuille aan te bieden, d.w.z. een portefeuille met een jaarlijkse provisie-opbrengst van omstreeks ƒ 400.000,--;
subsidiair: Aegon te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Koopsommer te betalen een bedrag van ƒ 250.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der inleidende dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.
Aegon heeft de vorderingen bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 3 april 2002 het gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft De Koopsommer hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 28 oktober 2003 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft De Koopsommer beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Aegon heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt De Koopsommer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Aegon begroot op € 3.476,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 11 maart 2005.