Civiel recht overig
Geschil omtrent verwijdering van krachtens erfdienstbaarheid gebouwde uitbouw met vluchttrap, vordering tot…
Hoge Raad, 25 november 2005
ECLI:NL:HR:2005:AU2406 · Hoge Raad · 25 november 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-au2406
Zaakgegevens
Op 25 november 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 november 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C04/180HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.J.L.J. Duijsens
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AU2406
Samenvatting
Geschil omtrent verwijdering van krachtens erfdienstbaarheid gebouwde uitbouw met vluchttrap, vordering tot amotie, misbruik van recht?. vervolg van HR 15 november 2002, nr. C01/082, NJ 2003, 48; geding na verwijzing, evenredigheidscriterium (art. 3:13 lid 2 BW), 81 RO.
Procesgang
Hoge Raad · 25 november 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AU2406
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 november 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AU2406
Uitspraak
25 november 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/180HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
STICHTING INSTITUUT A.V.O.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eiseres tot cassatie - verder te noemen: AVO - en verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 15 november 2002, nr. C01/082, NJ 2003, 48. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 oktober 2000 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Amsterdam verwezen.
Bij exploot van 22 november 2002 heeft AVO [verweerster] gedagvaard voor het gerechtshof te Amsterdam en gevorderd met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2002 voort te procederen en de vordering van [verweerster] in prima alsnog af te wijzen c.q. [verweerster] in die vordering niet-ontvankelijk te verklaren en voorts [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure.
Na memoriewisseling na verwijzing en pleidooi heeft het hof bij arrest van 22 april 2004 het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 28 juli 1999 bekrachtigd en AVO in de kosten van het appel aan de zijde van [verweerster] veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen laatstvermeld arrest van het hof heeft AVO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
AVO heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt AVO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 november 2005.