Civiel recht overig
Geschil tussen een voormalige partner van een erflater en diens kinderen (enig erfgenamen bij versterf) over…
Hoge Raad, 16 december 2005
ECLI:NL:HR:2005:AU4121 · Hoge Raad · 16 december 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2005-au4121
Zaakgegevens
Op 16 december 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 december 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C04/301HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P Garretsen, mr. M.J. van Basten Batenburg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AU4121
Samenvatting
Geschil tussen een voormalige partner van een erflater en diens kinderen (enig erfgenamen bij versterf) over de vraag of zij kan worden aangemerkt als zijn testamentair erfgenaam, 81 RO.
Procesgang
Hoge Raad · 16 december 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AU4121
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 december 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AU4121
Uitspraak
16 december 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/301HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats], Polen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
de erven van wijlen [betrokkene 1]:
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [verweerster 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 22 oktober 2001 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerders] - gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en, voor zover in cassatie van belang, gevorderd te verklaren voor recht dat zij gerechtigd is in de nalatenschap van [betrokkene 1], zoals is beschreven in diens testament van 11 juni 1993. [Verweerders] hebben de vordering bestreden.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 4 januari 2002 op 19 februari 2002 gehouden comparitie van partijen heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 12 april 2002 [eiseres] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat [eiseres] ten tijde van het overlijden van de erflater met deze samenwoonde en dat zij een gezamenlijke rekening en gemeenschappelijke huishouding voerden.
Na getuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 juli 2003 de vorderingen van [eiseres] afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Bij arrest van 16 juni 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 december 2005.