Civiel recht overig

Invorderingszaak, bestuurdersaansprakelijkheid. Geschil tussen de ontvanger en de bestuurder van een…

Hoge Raad, 10 november 2006

Zaakgegevens

Op 10 november 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 november 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
C05/222HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. J.A Dullaart, mr. M.J. Schenck
ECLI
ECLI:NL:HR:2006:AZ0423
E-mail

Samenvatting

Invorderingszaak, bestuurdersaansprakelijkheid. Geschil tussen de ontvanger en de bestuurder van een vennootschap – op wie de ontvanger uit hoofde van art. 34 lid 1 Iw. een vordering heeft – over de vraag of de bestuurder tegenover de ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door de onderneming van die vennootschap om niet over te dragen aan een zustervennootschap waarna de aandelen aan een derde zijn overgedragen die haar vervolgens heeft geliquideerd (81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 10 november 2006deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2006:AZ0423

  2. Conclusie A-G · 10 november 2006

    ECLI:NL:PHR:2006:AZ0423

Uitspraak

10 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/222HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.A. Dullaart,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST ONDERNEMINGEN 1 AMSTERDAM,

kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 7 november 1996 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan de Ontvanger te betalen een bedrag van ƒ 93.193,--, te vermeerderen met invorderingsrente vanaf 12 januari 1993, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van 18 maart 1998 [eiser] veroordeeld tot betaling aan de Ontvanger van ƒ 93.193,--, te vermeerderen met de invorderingsrente vanaf 12 januari 1993 tot aan de dag der algehele voldoening en [eiser] in de kosten van het geding veroordeeld.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 17 februari 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.341,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 10 november 2006.