Civiel recht overig
Verbintenissenrecht. Geschil tussen oud-partners in een advocatenmaatschap over de afwikkeling van hun…
Hoge Raad, 1 december 2006
ECLI:NL:HR:2006:AZ1082 · Hoge Raad · 1 december 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2006-az1082
Zaakgegevens
Op 1 december 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 december 2006
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C05/213HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AZ1082
Samenvatting
Verbintenissenrecht. Geschil tussen oud-partners in een advocatenmaatschap over de afwikkeling van hun beëindigde samenwerking; partiële ontbinding van vaststellingsovereenkomst (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 1 december 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AZ1082
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 december 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AZ1082
Uitspraak
1 december 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/213HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 17 november 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd, na wijziging van eis, primair [verweerster] te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van ƒ 122.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. [Eiser] heeft voorts aanvullend een verklaring voor recht gevorderd dat hij correct de gedeeltelijke buitengerechtelijke ontbinding van het door hem prijsgegeven deel van de oorspronkelijke overeenkomst tussen partijen heeft ingeroepen. Subsidiair heeft hij de ontbinding gevorderd van de volgens hem op 9 oktober 2000 gesloten overeenkomst wegens niet-nakoming door [verweerster], met veroordeling van [verweerster] tot betaling aan hem van de oorspronkelijk overeengekomen afkoopsom van ƒ 122.500,--.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 april 2001 een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 12 juni 2002 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [eiser] in de kosten van de procedure veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 30 november 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 december 2006.