Civiel recht overig
Verbintenissenrecht. Geschil tussen uitlener en inlener van werknemers over de verschuldigdheid van in…
Hoge Raad, 26 oktober 2007
ECLI:NL:HR:2007:BB5413 · Hoge Raad · 26 oktober 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2007-bb5413
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C06/195HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.T.R.F. Carli
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:BB5413
Samenvatting
Verbintenissenrecht. Geschil tussen uitlener en inlener van werknemers over de verschuldigdheid van in rekening gebrachte kosten voor verrichte werkzaamheden (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 26 oktober 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:BB5413
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 oktober 2007
ECLI:NL:PHR:2007:BB5413
Uitspraak
26 oktober 2007
Eerste Kamer
Nr. C06/195HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 5 augustus 1998 [eiseres] gedagvaard voor de rechtbank Breda en gevorderd, kort gezegd, [eiseres] te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 64.757,95, met rente en kosten.
Bij vonnis van 22 september 1998 heeft de rechtbank [eiseres] bij verstek veroordeeld om aan [verweerster] een bedrag van ƒ 60.863,85 te betalen.
Bij exploot van 9 oktober 1998 heeft [eiseres] [verweerster] aangezegd tegen dit vonnis in verzet te komen, haar gedagvaard voor de rechtbank Breda, in conventie gevorderd dat [eiseres] zal worden ontheven van de door de rechtbank uitgesproken veroordeling en in reconventie gevorderd, kort gezegd, primair [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen het bedrag van ƒ 65.060,52, subsidiair, voor het geval de conventionele vordering in stand blijft, [verweerster] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen het bedrag van ƒ 125.924,37, een en ander met rente en kosten.
De rechtbank heeft, na een aantal tussenvonnissen, bij eindvonnis van 20 november 2001 in conventie het verstekvonnis van de rechtbank van 22 september 1998 vernietigd, en opnieuw rechtdoende, [eiseres] veroordeeld om aan [verweerster] te betalen het bedrag van ƒ 96.005,86 en in reconventie de vordering afgewezen.
Tegen de tussenvonnissen en het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Na een tweetal tussenarresten van het hof van 27 januari 2003 en 8 juli 2003 heeft het hof bij eindarrest van 28 februari 2006 het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd.
De tussenarresten en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen deze arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 oktober 2007.