Civiel recht overig
Nationaliteitsrecht. Verzoek ex art. 17 RWN tot vaststelling Nederlanderschap; onjuiste persoonsgegevens…
Hoge Raad, 28 maart 2008
ECLI:NL:HR:2008:BC7919 · Hoge Raad · 28 maart 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bc7919
Zaakgegevens
Op 28 maart 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 maart 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- R07/056HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.J van Duijne Strobosch, J. van Duijvendijk-Brand
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BC7919
Samenvatting
Nationaliteitsrecht. Verzoek ex art. 17 RWN tot vaststelling Nederlanderschap; onjuiste persoonsgegevens, rechtsgevolg verklaring ex art. 6 lid 1, aanhef en onder b, (oud) RWN (81 RO)
Procesgang
Hoge Raad · 28 maart 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BC7919
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 maart 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC7919
Uitspraak
28 maart 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/056HR
MK/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige dochter [kind],
allen wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.J. van Duijne Strobosch,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 10 januari 2003 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingekomen verzoekschrift hebben [verzoeker] c.s. zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, vast te stellen dat hun minderjarige dochter [kind] vanaf 24 oktober 2001 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Bij brief van 24 februari 2004 heeft de Staat zijn mening omtrent het verzoekschrift kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft, na tussenbeschikkingen van 19 mei 2004 en 22 september 2005, bij eindbeschikking van 12 december 2006 het verzoek afgewezen.
De tussenbeschikking van de rechtbank van 22 september 2005 en de eindbeschikking zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de tussenbeschikking van de rechtbank van 22 september 2005 en de eindbeschikking hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 28 maart 2008.