Civiel recht overig
Nationaliteitsrecht. Afwijzing verzoek op de voet van art. 17 RWN tot vaststelling van het Nederlanderschap…
Hoge Raad, 11 juli 2008
ECLI:NL:HR:2008:BD3708 · Hoge Raad · 11 juli 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bd3708
Zaakgegevens
Op 11 juli 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juli 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/11803
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.G Evers, mr. J. van Duijvendijk-Brand
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BD3708
Samenvatting
Nationaliteitsrecht. Afwijzing verzoek op de voet van art. 17 RWN tot vaststelling van het Nederlanderschap; verlies van bij geboorte verkregen Nederlandse nationaliteit door verzoekster op grond van art. 8 TOI wegens verlies Nederlandse nationaliteit door haar vader (art. 7 aanhef en onder 3 WNI) als gevolg van diens opteren voor de Indonesische nationaliteit op grond van art. 3 TOI; ontvankelijkheid in cassatie (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 11 juli 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BD3708
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 juli 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BD3708
Uitspraak
11 juli 2008
Eerste Kamer
07/11803
RM/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.G. Evers,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 21 november 2006 ter griffie van de rechtbank 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft [verzoekster] zich gewend tot die rechtbank en verzocht vast te stellen dat zij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
De Staat heeft bij brief van 13 maart 2007 zijn standpunt kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 juli 2007 het verzoek afgewezen.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.