Civiel recht overig
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest.
Hoge Raad, 17 april 2009
ECLI:NL:HR:2009:BH3187 · Hoge Raad · 17 april 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bh3187
Zaakgegevens
Op 17 april 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 april 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C06/153HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R. Müller
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BH3187
Samenvatting
Cassatie. Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest.
Procesgang
Hoge Raad · 17 april 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BH3187
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 april 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BH3187
Uitspraak
17 april 2009
Eerste Kamer
Nr. C06/153HR
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R. Müller,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploot van 14 maart 2000 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en, na vermeerdering van eis, gevorderd,
(i) voor recht te verklaren dat [verweerder] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld waardoor [eiser] schade heeft geleden;
(ii) [Verweerder] te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [eiser] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van deze onrechtmatige gedragingen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
(iii) [Verweerder] te veroordelen medewerking te verlenen aan de verdeling ten overstaan van een notaris van het vermogen van de tussen partijen bestaan hebbende vennootschap, te vermeerderen met rente en kosten.
[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden en, in reconventie, kort gezegd, de verdeling van bepaalde activa van de gemeenschap gevorderd alsmede een verklaring voor recht dat het op 29 februari 2000 gelegde beslag op een aan [verweerder] toebehorende onroerende zaak ten onrechte is gelegd en dat [eiser] aansprakelijk is voor de door [verweerder] ten gevolge van dat beslag ontstane schade, nader op te maken bij staat.
Na een tussenvonnis van 1 augustus 2001, waarbij [eiser] tot bewijs is toegelaten, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 7 januari 2004 de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie (deels) toegewezen.
Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenarrest van 21 februari 2006 heeft het hof, alvorens verder te beslissen, een comparitie van partijen gelast.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep.
3. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1 Het bestreden arrest van het hof is een tussen-arrest. Het hof heeft immers niet reeds door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde gemaakt.
3.2 Volgens art. 401a lid 2 Rv. kan beroep in cassatie van een tussenarrest slechts tegelijk met dat van het eindarrest worden ingesteld, nu het hof niet anders heeft bepaald en de overige in dit artikel vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn.
3.3 [Eiser] kan mitsdien in zijn cassatieberoep niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 17 april 2009.