Civiel recht overig
Merkenrecht. Verval van merkrecht wegens niet normaal gebruik gedurende vijf jaren; vervolg op HR 26 januari…
Hoge Raad, 10 juli 2009
ECLI:NL:HR:2009:BI3401 · Hoge Raad · 10 juli 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bi3401
Zaakgegevens
Op 10 juli 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 juli 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/13288
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.S Meijer, aanvankelijk mr. T Cohen Jehoram
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BI3401
Samenvatting
Merkenrecht. Verval van merkrecht wegens niet normaal gebruik gedurende vijf jaren; vervolg op HR 26 januari 2001, NJ 2001, 247, HvJEG 11 maart 2003, nr. C-40/01, NJ 2004, 339 en HR 8 oktober 2004, NJ 2007, 36 (Ajax/Ansul); geding na verwijzing (81 RO).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 26 juli 2007
ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6136Hoge Raad · 10 juli 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BI3401
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 juli 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BI3401
Uitspraak
10 juli 2009
Eerste Kamer
07/13288
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
AJAX BRANDBEVEILIGING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
ANSUL B.V.,
gevestigd te Schiedam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. T. Cohen Jehoram, thans mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Ajax en Ansul.
1. Het geding in voorgaande instanties
Voor het verloop van het geding in voorgaande instanties verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 26 januari 2001, nr. C99/080, NJ 2001, 247 en zijn arrest van 8 oktober 2004, nr. C99/080, NJ 2007, 36.
Bij arrest van 8 oktober 2004 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 november 1998 vernietigd en het geding naar het gerechtshof te Amsterdam verwezen ter verdere behandeling en beslissing.
Het hof heeft bij arrest van 26 juli 2007 het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 18 april 1996 zowel in conventie als in reconventie bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het tweede geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft Ajax beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ansul heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor Ajax toegelicht door haar advocaat en mede door Mr. E.M. Tjon-En-Fa, advocaat bij de Hoge Raad. Voor Ansul is de zaak toegelicht door mr. T. Cohen Jehoram en mede door mr. D.M. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van Ajax heeft bij brief van 22 mei 2009 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Ajax in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ansul begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 juli 2009.