Civiel recht overig
Geschil over onderhandse executoriale verkoop van een woning. (81 RO)
Hoge Raad, 22 december 2009
ECLI:NL:HR:2009:BK3072 · Hoge Raad · 22 december 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2009-bk3072
Zaakgegevens
Op 22 december 2009 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 december 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/03677
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P. Garretsen
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2009:BK3072
Samenvatting
Geschil over onderhandse executoriale verkoop van een woning. (81 RO)
Procesgang
Hoge Raad · 22 december 2009deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2009:BK3072
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 22 december 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BK3072
Uitspraak
22 december 2009
Eerste Kamer
08/03677
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
1. DE COÖPERATIEVE RABOBANK LEIDEN, LEIDERDORP EN OEGSTGEEST U.A.,
gevestigd te Leiderdorp,
2. RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. [Verweerster 3],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiser tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [eiser]. Verweerders onder 1 en 2 zullen gezamenlijk worden aangeduid als de bank en verweerder onder 3 als de maatschap.
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiser] heeft bij exploten van 26 en 27 juli 2004 de bank en de maatschap gedagvaard voor de rechtbank ’s-Gravenhage en gevorderd, kort gezegd, de bank en de maatschap ieder hoofdelijk te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 109.076,50, met rente en kosten.
De bank en de maatschap hebben de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na bij tussenvonnis van 29 september 2004 een comparitie van partijen te hebben gelast, bij eindvonnis van 6 april 2005 de vordering van [eiser] afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Bij arrest van 5 maart 2008 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de bank en de maatschap is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank en de maatschap begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.