Civiel recht overig
BOPZ. Na voorwaardelijke machtiging alsnog opneming in psychiatrisch ziekenhuis (81 RO).
Hoge Raad, 19 februari 2010
ECLI:NL:HR:2010:BL0012 · Hoge Raad · 19 februari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2010-bl0012
Zaakgegevens
Op 19 februari 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 februari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09/05023
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.E.M. Later
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2010:BL0012
Samenvatting
BOPZ. Na voorwaardelijke machtiging alsnog opneming in psychiatrisch ziekenhuis (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 19 februari 2010deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2010:BL0012
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 februari 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BL0012
Uitspraak
19 februari 2010
Eerste Kamer
09/05023
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van van 6 augustus 2009 ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van zes maanden, onder de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt.
De geneesheer-directeur van het psychiatrische ziekenhuis als bedoeld in art. 14a lid 5 BOPZ heeft bij beslissing van 11 september 2009 op de voet van art. 14d BOPZ beslist betrokkene te laten opnemen in dat psychiatrisch ziekenhuis.
De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft, op verzoek van betrokkene en onder overlegging van de genoemde beslissing van de geneesheer-directeur, op 22 september 2009 de rechtbank verzocht te beslissen omtrent de beslissing van de geneesheer-directeur.
Nadat de rechtbank betrokkene, bijgestaan door haar raadsvrouwe, alsmede de psychiater op 6 oktober 2009 had gehoord, heeft zij bij tussenbeschikking van diezelfde datum de officier van justitie verzocht een verslag van een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek over te leggen.
De officier van justitie heeft bij brief van 13 oktober 2009 een schrijven van de (waarnemend) geneesheer-directeur van 8 oktober 2009 overgelegd. De raadsvrouwe van betrokkene heeft bij brief van 20 oktober 2009 zich daarover schriftelijk over uitgelaten.
Bij eindbeschikking van 22 oktober 2009 heeft de rechtbank de beslissing van de geneesheer-directeur van 11 september 2009 tot opname van betrokkene gehandhaafd.
De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide beschikkingen van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 februari 2010.