Civiel recht overig
Cassatie. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen (407 lid 2 Rv.); de rechtsregel dat de middelen van…
Hoge Raad, 5 november 2010
ECLI:NL:HR:2010:BN6254 · Hoge Raad · 5 november 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2010-bn6254
Zaakgegevens
Op 5 november 2010 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 november 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09/03728
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.L. Kleyn
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2010:BN6254
Samenvatting
Cassatie. Aan een cassatiemiddel te stellen eisen (407 lid 2 Rv.); de rechtsregel dat de middelen van cassatie in de cassatiedagvaarding dienen te staan en niet voor het eerst bij pleidooi in cassatie of in een daarvoor in de plaats komende schriftelijke toelichting mogen worden aangevoerd, vindt haar rechtvaardiging in het beginsel van hoor en wederhoor dat onderdeel uitmaakt van het begrip “eerlijk proces” als bedoeld in art. 6 EVRM. (81 RO)
Procesgang
Hoge Raad · 5 november 2010deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2010:BN6254
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 november 2010
ECLI:NL:PHR:2010:BN6254
Uitspraak
5 november 2010
Eerste Kamer
09/03728
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [De zuster],
2. [De moeder],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
advocaat: mr. M.L. Kleyn,
t e g e n
[De zoon],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk ook worden aangeduid als respectievelijk de zuster, de moeder en de zoon.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 145323/HA ZA 06-1611 van de rechtbank Arnhem van 6 december 2006, 28 februari 2007, 21 november 2007 en 20 februari 2008;
b. het arrest in de zaak 200.006.427 van het gerechts-hof te Arnhem van 21 juli 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben de moeder en de zuster beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de zoon is verstek verleend.
De zaak is voor de moeder en de zuster toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de moeder en de zuster in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de zoon begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 november 2010.