Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO (principaal cassatieberoep). Verjaring van vordering tot vernietiging van scheiding en…
Hoge Raad, 16 november 2012
ECLI:NL:HR:2012:BQ3008 · Hoge Raad · 16 november 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2012-bq3008
Zaakgegevens
Op 16 november 2012 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 november 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/01118
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- aanvankelijk mr. P Garretsen, mr. P.S. Kamminga
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2012:BQ3008
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO (principaal cassatieberoep). Verjaring van vordering tot vernietiging van scheiding en deling; verjaring schadevordering uit onrechtmatige daad.
Incidenteel cassatieberoep: Incidenteel hoger beroep ingesteld? Uitleg gedingstukken. Kostenveroordeling.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 17 juni 2008
ECLI:NL:GHAMS:2008:BE2917Hoge Raad · 16 november 2012deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2012:BQ3008
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 november 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BQ3008
Uitspraak
16 november 2012
Eerste Kamer
11/01118
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. M.E. Franke,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 204984/HA ZA 05-2491 van de rechtbank Utrecht van 1 februari 2006 en 2 mei 2007;
b. de arresten in de zaak 104.004.175 (rolnummer oud 2007/01140) van het gerechtshof te Amsterdam van 17 juni 2008 en 24 augustus 2010.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt in het principaal cassatieberoep tot verwerping en in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging.
3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
4.1. Het middel keert zich in de eerste plaats tegen de vaststelling van het hof dat de man incidenteel hoger beroep heeft ingesteld (eindarrest, rov. 3.1), en in de tweede plaats tegen de door het hof uitgesproken veroordeling van de man in de kosten van het incidenteel hoger beroep (eindarrest, rov. 3.12).
4.2. Beide klachten zijn gegrond. Nu de door de man genomen 'memorie van antwoord, tevens inhoudende een zelfstandig appel' geen gronden voor het hoger beroep bevat en uitsluitend strekt tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank, betreft het laatste gedeelte van de kop van dit stuk onmiskenbaar een vergissing en is dus geen andere conclusie mogelijk dan dat de man geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Vaste rechtspraak is bovendien dat een incidenteel hoger beroep dat onnodig is omdat het betrekking heeft op een geschilpunt dat de appelrechter ook zonder dat beroep moet behandelen, geen grond kan opleveren voor een kostenveroordeling (HR 10 juni 1988, LJN AC1506, NJ 1989/30, HR 11 mei 2012, LJN BV9966, NJ 2012/319, en HR 12 oktober 2012, LJN BW9243).
4.3. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door te beslissen als hierna vermeld.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 1.938,11 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 24 augustus 2010 voor zover gewezen in het incidenteel hoger beroep en verstaat dat de man geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 16 november 2012.