Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Zorgplicht bank bij totstandkoming hypothecaire geldlening. Eigen…
Hoge Raad, 29 maart 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY7829 · Hoge Raad · 29 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2013-by7829
Zaakgegevens
Op 29 maart 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 maart 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/05587
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. W.E Pors, aanvankelijk mr. P.A Ruig
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:BY7829
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Onrechtmatige daad. Zorgplicht bank bij totstandkoming hypothecaire geldlening. Eigen schuld; art. 6:101 BW.
Procesgang
Hoge Raad · 29 maart 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:BY7829
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 maart 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BY7829
Uitspraak
29 maart 2013
Eerste Kamer
11/05587
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. W.E. Pors,
t e g e n
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. P.A. Ruig, thans mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Bank.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 405069/HA ZA 08-2236 van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2008 en 9 september 2009;
b. het arrest in de zaak 200.066.090/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 13 september 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 4 januari 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 2.428,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 29 maart 2013.