Civiel recht overig
Art. 80a lid 1 RO. Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Vordering tot nietigverklaring/vernietiging van…
Hoge Raad, 8 februari 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ0966 · Hoge Raad · 8 februari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2013-bz0966
Zaakgegevens
Op 8 februari 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 februari 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/04737
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E.R. Weegenaar
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:BZ0966
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Vordering tot nietigverklaring/vernietiging van schenkingen en van testament erflater.
Procesgang
Hoge Raad · 8 februari 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:BZ0966
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 februari 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ0966
Uitspraak
8 februari 2013
Eerste Kamer
12/04737
EE/EP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. E.R. Weegenaar,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiser zal hierna ook worden aangeduid als [eiser].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 30835/HF ZA 94-56 van de rechtbank Utrecht van 8 januari 1997, 13 april 2005 en 24 december 2008;
b. de arresten in de zaak 520/97 van het gerechtshof te Amsterdam van 6 januari 2000 en 16 november 2000;
c. het arrest in de zaak 200.033.530 van het gerechtshof te Amsterdam van 10 juli 2012.
Het arrest van het hof van 10 juli 2012 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 10 juli 2012 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 28 december 2012 op dit standpunt gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij
die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2,3 en 4).
De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerders begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.