Civiel recht overig
Art. 81 lid 1 RO. Vrijwaringsprocedure. Burenrecht. Misbruik van recht bij plaatsing erfafscheiding? Art. 3:13 BW.
Hoge Raad, 12 april 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ1063 · Hoge Raad · 12 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2013-bz1063
Zaakgegevens
Op 12 april 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 april 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12/01097
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. K Aantjes, mr. R.F. Thunnissen
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:BZ1063
Samenvatting
Art. 81 lid 1 RO. Vrijwaringsprocedure. Burenrecht. Misbruik van recht bij plaatsing erfafscheiding? Art. 3:13 BW.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem · 28 juli 2009
ECLI:NL:GHARN:2009:BK0332Hoge Raad · 12 april 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:BZ1063
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 april 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ1063
Uitspraak
12 april 2013
Eerste Kamer
12/01097
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats], België,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 83427 / HA ZA 07-111 van de rechtbank Zutphen van 21 maart 2007, 25 juli 2007 en 5 december 2007;
b. de arresten in de zaak 200.003.290 en 200.001.304 van het gerechtshof te Arnhem van 28 juli 2009, 13 juli 2010 en 22 november 2011.
De arresten van het hof van 13 juli 2010 en 22 november 2011 zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 13 juli 2010 en 22 november 2011 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 799,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.