Civiel recht overig
Verzoek wijziging kinderalimentatie, art. 1:401 BW. Afwijzing op grond van bepaling in…
Hoge Raad, 17 mei 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ1466 · Hoge Raad · 17 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2013-bz1466
Zaakgegevens
Op 17 mei 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 mei 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 12/02759
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.W. Alt en mr. S Kousedghi, mr. C.G.A. van Stratum
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2013:BZ1466
Samenvatting
Verzoek wijziging kinderalimentatie, art. 1:401 BW. Afwijzing op grond van bepaling in echtscheidingsconvenant; geen draagkrachtberekening overgelegd.
Procesgang
Rechtbank Zutphen · 18 mei 2011
ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ4736Gerechtshof Arnhem · 1 maart 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BW5183(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Hoge Raad · 17 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2013:BZ1466
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 mei 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ1466
Uitspraak
17 mei 2013
Eerste Kamer
12/02759
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt en mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 116784 FA RK 10-1974 van de rechtbank Zutphen van 19 november 2010 en 17 mei 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.092.323 van het gerechtshof te Arnhem van 1 maart 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de man heeft bij brief van 22 februari 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Partijen zijn in 2009 gescheiden. In hun echtscheidingsconvenant is bepaald welk bedrag aan alimentatie de man aan de vrouw is verschuldigd voor de beide minderjarige kinderen van partijen "ook ingeval hij of de vrouw gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd/als hadden zij hun partnerschap laten registreren". De man verzoekt in deze procedure wijziging van deze alimentatie, onder meer op de grond dat hij inmiddels met een andere vrouw is getrouwd en een gezin vormt met haar en haar twee kinderen uit een eerder huwelijk, en dat daardoor zijn draagkracht is verminderd.
3.2 Het hof heeft het verzoek niet toewijsbaar geoordeeld, wat betreft de hiervoor in 3.1 genoemde grond omdat het de hiervoor aangehaalde bepaling van het convenant, overeenkomstig het verweer van de vrouw, aldus heeft uitgelegd dat deze mede ziet op het geval dat de man een nieuw gezin begint (rov. 4.10 van zijn beschikking). Het heeft de man gebonden geacht aan de bepaling. Op die grond heeft het de overige grieven van partijen niet behandeld bij gebrek aan belang (rov. 4.13)
3.3 Middel II klaagt dat het hof niet op laatstgenoemde grond aan grief V van de man heeft kunnen voorbijgaan. De man heeft bij die grief aangevoerd dat de rechtbank, indien onverkort wordt vastgehouden aan de bepaling van het convenant, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat hij in inkomen zal terugvallen tot een bedrag dat lager ligt dan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Deze klacht faalt reeds omdat de man weliswaar een grief met deze inhoud heeft aangevoerd, maar deze slechts heeft onderbouwd door overlegging van een draagkrachtberekening waaruit, anders dan hij stelt, de juistheid van deze stelling niet volgt, terwijl voor die stelling evenmin steun valt te vinden in hetgeen het hof in rov. 3.6 en 3.7 heeft vastgesteld omtrent de draagkracht van de man.
Overigens heeft de man naar de kennelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling van het hof niet aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 BW omdat hij ten gevolge van zijn nieuwe huwelijk onvoldoende draagkracht heeft om te voldoen aan alle op hem rustende alimentatieverplichtingen.
3.4 De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 17 mei 2013.