Civiel recht overig
BOPZ. Kan voorlopige machtiging tot opneming in zwakzinnigeninrichting onder voorwaarden verleend worden?…
Hoge Raad, 2 oktober 2015
ECLI:NL:HR:2015:2915 · Hoge Raad · 2 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2015-2915
Zaakgegevens
Op 2 oktober 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2015
- Datum publicatie
- 2 oktober 2015
- Zaaknummer
- 15/02910
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. G.E.M. Later
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:2915
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BOPZ. Kan voorlopige machtiging tot opneming in zwakzinnigeninrichting onder voorwaarden verleend worden? Art. 14a lid 2 onder b en art. 14d lid 1 Wet Bopz, systeem van de wet. Art. 5 EVRM. Wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (wetsvoorstel 31 996).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 29 juli 2015
ECLI:NL:PHR:2015:2016Hoge Raad · 2 oktober 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:2915
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
2 oktober 2015
Eerste Kamer
15/02910
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
de OFFICIER VAN JUSTITIE VAN HET ARRONDISSEMENTSPARKET LIMBURG,
zetelende te Roermond,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/03/202212/BZ RK 15/229 van de rechtbank Limburg van 27 februari 2015 en 27 maart 2015.
De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikkingen van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikkingen gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van de beschikking van 27 maart 2015.
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 12 augustus 2015 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen tot opneming van betrokkene in een zwakzinnigeninrichting.
Bij tussenbeschikking heeft de rechtbank geoordeeld dat op dat moment geen sprake was van manifest gevaar, maar dat latent gevaar, gelet op de gebeurtenissen in het recente verleden, niet kon worden uitgesloten. Om die reden heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek voor de duur van een maand aangehouden om te bezien of het gevaar, met intensieve ondersteuning en begeleiding van het ACT-team, kon worden afgewend.
Bij eindbeschikking heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een zwakzinnigeninrichting te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van maximaal zes maanden, ingaande op 27 maart 2015 en eindigende op 27 september 2015. Daartoe heeft zij met name het volgende overwogen:
“1.6. Op grond van de voormelde stukken en verhoren is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat
- betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens;
- de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken;
- betrokkene blijk geeft van verzet tegen opneming of verblijf in een zwakzinnigeninrichting.
De rechtbank is van oordeel dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene momenteel geen gevaar doet veroorzaken. Nog zeer recent (februari 2015) is dit echter wel het geval geweest. Om het gevaar af te wenden is het van belang dat betrokkene zich aan de door zijn behandelaren gestelde voorwaarden houdt. Een voorwaardelijke machtiging zou in deze situatie op zijn plaats zijn. Een voorwaardelijke machtiging is echter niet mogelijk voor een zwakzinnigeninrichting. De rechtbank zal daarom een voorlopige machtiging voor betrokkene verlenen waarbij zij er van uitgaat dat betrokkene, zoals ter zitting met de aanwezigen besproken, onder de hem bekende voorwaarden thuis kan verblijven.”
Het hiertegen gerichte middel bevat onder (a) de klacht, kort samengevat, dat de rechtbank een voorlopige machtiging heeft verleend hoewel zij heeft vastgesteld dat de bij betrokkene aanwezige stoornis hem geen gevaar deed veroorzaken op de datum waarop de rechtbank uitspraak deed.
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Het middel bevat onder (b)-(d) de klachten dat de machtiging die de rechtbank heeft verleend, rechtens ontoelaatbaar is. De rechtbank heeft immers een voorlopige machtiging verleend voor de opneming van betrokkene in een zwakzinnigeninrichting, met dien verstande dat betrokkene thuis mag verblijven, maar bij niet-naleving van de voorwaarden zal worden opgenomen in een zwakzinnigeninrichting. Dit is in wezen een voorwaardelijke machtiging die in strijd is met art. 14a lid 2, aanhef en onder b, Wet Bopz.
Een voorlopige machtiging in de zin van art. 2 Wet Bopz strekt ertoe om iemand die gestoord is in zijn geestvermogens en daardoor gevaar veroorzaakt, (onvoorwaardelijk) te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis, dan wel het vrijwillig verblijf aldaar te doen voortduren.
Een voorwaardelijke machtiging als bedoeld in art. 14a Wet Bopz strekt ertoe het gevaar dat de betrokkene door de stoornis van zijn geestvermogens veroorzaakt, buiten een psychiatrisch ziekenhuis af te wenden doordat de betrokkene zich onder behandeling stelt en de in de machtiging omschreven voorwaarden betreffende zijn gedrag naleeft (art. 14a lid 2, in samenhang met leden 6-8, Wet Bopz). Als de betrokkene de voorwaarden niet naleeft of het gevaar niet langer buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend door de naleving van de in de machtiging vermelde voorwaarden, wordt de voorwaardelijke machtiging op de voet van art. 14d Wet Bopz omgezet in een voorlopige en wordt de betrokkene opgenomen in het in het behandelingsplan aangewezen psychiatrisch ziekenhuis dat tot opneming van betrokkene bereid is (art. 14a lid 5 Wet Bopz). De verlening van een voorwaardelijke machtiging is bedoeld als “stok achter de deur” voor de betrokkene om daadwerkelijk de behandeling voort te zetten (Kamerstukken II 1999-2000, 27 289, nr. 3, p. 1-2).
Nu de rechtbank blijkens de slotzin van rov. 1.6 de voorlopige machtiging heeft verleend, ervan uitgaande dat betrokkene onder de hem bekende voorwaarden thuis kan verblijven, heeft zij in wezen een voorlopige machtiging verleend met elementen van een voorwaardelijke machtiging. Deze vermenging van twee te onderscheiden rechtsfiguren is in strijd met art. 14a lid 2, aanhef en onder b, in verbinding met art. 14d lid 1 Wet Bopz. Op grond van die bepalingen kan bij niet-naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan een voorwaardelijke machtiging, slechts opneming plaatsvinden in “een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een zwakzinnigeninrichting of een verpleeginrichting”. Daaraan ligt ten grondslag dat verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische patiënten, anders dan patiënten met een psychiatrische stoornis, zonder de zorg die de zwakzinnigen- of verpleeginrichting biedt, zich niet buiten die inrichting kunnen handhaven (vgl. Kamerstukken II 1999-2000, 27 289, nr. 3, p. 5; Kamerstukken II 2000-2001, 27 289, nr. 7, p. 9). In het systeem van de wet ligt dus besloten dat in het geval van verstandelijk gehandicapten en psychogeriatrische patiënten, geen plaats is voor verlening van een voorwaardelijke machtiging.
Opmerking verdient ten slotte nog het volgende.
In de uitspraak van de rechtbank ligt besloten dat betrokkene, indien hij de gestelde voorwaarden niet (langer) naleeft, dient te worden opgenomen in een zwakzinnigeninrichting, zulks met overeenkomstige toepassing van art. 14d lid 1 Wet Bopz. Dit betekent dat betrokkene dan van zijn vrijheid zou worden beroofd zonder dat de bevoegdheid daartoe berust op een uitdrukkelijke wetsbepaling. Dat is in strijd met art. 5 EVRM.
Voorts heeft de onderhavige materie de aandacht van de wetgever. Op 19 september 2013 is het wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte clie¨nten (wetsvoorstel 31 996) door de Tweede Kamer aangenomen. Dit wetsvoorstel is thans bij de Eerste Kamer in behandeling en voorziet niet in de mogelijkheid een voorwaardelijke machtiging te verlenen met betrekking tot verstandelijk gehandicapten.
De klachten onder (b)-(d) van het middel treffen dan ook doel.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 27 maart 2015;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak en V. van den Brink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 2 oktober 2015.