Civiel recht overig
Herstelarrest (art. 31 Rv). Hoge Raad verbetert het dictum van HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2380…
Hoge Raad, 25 januari 2019
ECLI:NL:HR:2019:98 · Hoge Raad · 25 januari 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2019-98
Zaakgegevens
Op 25 januari 2019 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 januari 2019
- Datum publicatie
- 24 januari 2019
- Zaaknummer
- 18/01378
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.F de Groot, mr. R.T. Wiegerink
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2019:98
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Herstelarrest (art. 31 Rv). Hoge Raad verbetert het dictum van HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2380 (onteigeningszaak), wegens kennelijke verschrijving.
Uitspraak
25 januari 2019
Eerste Kamer
18/01378
EV
Hoge Raad der Nederlanden
Herstelarrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J.F. de Groot,
t e g e n
GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP,
zetelende te Pijnacker,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.T. Wiegerink.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eisers] en de Gemeente.
1 Het arrest in dit geding
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 21 december 2018 een arrest uitgesproken (ECLI:NL:HR:2018:2380). De Hoge Raad heeft in het arrest onder meer het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2018 vernietigd, maar alleen “voor zover in het dictum daarvan een beslissing ontbreekt over de door de Staat aangeboden bijkomende voorziening bestaande in het voortgezet gebruik van het onteigende”.
Bij brief van 17 januari 2019 heeft de advocaat van de Gemeente, mede namens de advocaat van [eisers], de Hoge Raad verzocht het arrest van 21 december 2018 te verbeteren op de grond dat waar in het dictum “de Staat” wordt vermeld, sprake is van een kennelijke verschrijving, nu niet de Staat, maar de Gemeente de bijkomende voorziening bestaande in het voortgezet gebruik van het onteigende heeft aangeboden.
De Procureur-Generaal is in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen, maar heeft daarvan afgezien.
Het verzoek is voor inwilliging vatbaar nu van een kennelijke verschrijving sprake is. De Hoge Raad zal deze herstellen.
Het desbetreffende dictum dient als volgt te worden gelezen:
“De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 7 maart 2018, maar alleen voor zover in het dictum daarvan een beslissing ontbreekt over de door de Gemeente aangeboden bijkomende voorziening bestaande in het voortgezet gebruik van het onteigende;
bepaalt dat de Gemeente, op verlangen van [eisers], de aangeboden bijkomende voorziening tot voortgezet gebruik van het onteigende gestand zal doen;
verwerpt het beroep voor het overige;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 397,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.”
2 Beslissing
De Hoge Raad:
verbetert het op 21 december 2018 in deze zaak uitgesproken arrest op de wijze als hiervoor in 1.5 vermeld;
stelt de verbetering op de minuut van dat arrest.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 25 januari 2019.