Civiel recht overig
Overeenkomstenrecht. Effectenleaseovereenkomst. Onaanvaardbaar zware financiële last? Advies van…
Hoge Raad, 13 november 2020
ECLI:NL:HR:2020:1793 · Hoge Raad · 13 november 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2020-1793
Zaakgegevens
Op 13 november 2020 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 november 2020
- Datum publicatie
- 12 november 2020
- Zaaknummer
- 19/05670
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- J. de Bie Leuveling Tjeenk.
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2020:1793
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overeenkomstenrecht. Effectenleaseovereenkomst. Onaanvaardbaar zware financiële last? Advies van cliëntenremisier? HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012.
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:652Gerechtshof Den Haag · 17 september 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:2434Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 juli 2020
ECLI:NL:PHR:2020:747Hoge Raad · 13 november 2020deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2020:1793
(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/05670
Datum 13 november 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaten: A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Dexia,
advocaat: J. de Bie Leuveling Tjeenk.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
-
het vonnis in de zaak 3644055 / CV EXPL 14-6186 van de kantonrechter te Gouda van 7 januari 2016;
-
het arrest in de zaak 200.201.175/01 van het gerechtshof Den Haag van 17 september 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Dexia heeft een verweerschrift tot referte ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eiser] en (een rechtsvoorgangster van) Dexia hebben in 1999 via de tussenpersoon SpaarSelect een effectenleaseovereenkomst gesloten.
(ii) De leasesom bedroeg f 60.000,-- (€ 27.226,80) en de looptijd 240 maanden. [eiser] heeft € 9.189,45 aan termijnen betaald. De eindafrekening heeft geresulteerd in een positief resultaat van € 1.588,96.
(iii) Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [eiser] is aan Dexia medegedeeld dat [eiser] zich alle rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.
In deze procedure vordert Dexia een verklaring voor recht, kort gezegd, dat zij jegens [eiser] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de tussen hen gesloten effectenleaseovereenkomst heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen.
In hoger beroep heeft [eiser] aangevoerd dat Dexia gehouden is zijn volledige schade te vergoeden. Hij heeft daaraan in zijn grieven 1 en 2 ten grondslag gelegd dat de tussenpersoon SpaarSelect hem heeft geadviseerd de effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan, terwijl SpaarSelect noch beschikte over een vergunning noch over een vrijstelling, en dat Dexia wist van deze advisering althans daarvan behoorde te weten. [eiser] heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 2 september 2016 in de zaak […]/Dexia (hierna: het arrest […]/Dexia).
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
Indien geen sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer, blijft de schade bestaande in de betaalde rente en aflossing in beginsel voor rekening van de afnemer en heeft deze alleen recht op een (derde) deel van de schade bestaande in de restschuld. [eiser] heeft onvoldoende gesteld dat de effectenleaseovereenkomst voor hem een onaanvaardbaar zware financiële last vormde. (rov. 4.4)
Vast staat dat de overeenkomst is geëindigd met een positief saldo van € 1.588,96. (rov. 4.5)
Dit betekent dat [eiser] geen schade heeft geleden, zodat het eventuele bewijs dat een tussenpersoon hem heeft geadviseerd en dat Dexia dit wist, niet tot het toekennen van schadevergoeding kan leiden. Daardoor mist hij belang bij de beoordeling van de grieven 1, 2 en 4. (rov. 4.6)
3 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat het hof in de rov. 4.4-4.6 heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel is het oordeel van het hof niet verenigbaar met het arrest […]/Dexia .
Het middel is gegrond.
In het arrest […]/Dexia heeft de Hoge Raad (in rov. 6.2.3) beslist dat indien een particuliere belegger bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten. In het arrest is beslist dat dit ook geldt als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden. Het oordeel van het hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Het voorgaande brengt mee dat na verwijzing alsnog de grieven 1 en 2 van [eiser] moeten worden onderzocht.
Dexia heeft zich in haar verweerschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. Zij heeft de bestreden beslissing van het hof dus niet verdedigd. Nu zij deze evenmin heeft uitgelokt, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 september 2019;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
- begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiser] op € 493,50 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van Dexia op € 879,01 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 13 november 2020.