Civiel recht overig
Onteigeningsrecht. Aan onteigende aangeboden bijkomende voorziening niet vermeld in het dictum; art. 54i lid…
Hoge Raad, 1 oktober 2021
ECLI:NL:HR:2021:1426 · Hoge Raad · 1 oktober 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2021-1426
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2021
- Datum publicatie
- 1 oktober 2021
- Zaaknummer
- 20/04239
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- J.A.M.A Sluysmans, M.W. Scheltema
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1426
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onteigeningsrecht. Aan onteigende aangeboden bijkomende voorziening niet vermeld in het dictum; art. 54i lid 1 Ow. Hoge Raad doet zelf de zaak af.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 augustus 2021
ECLI:NL:PHR:2021:746Hoge Raad · 1 oktober 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:1426
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/04239
Datum 1 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J.A.M.A. Sluysmans,
tegen
PROVINCIE FLEVOLAND,
zetelende te Lelystad,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Provincie,
advocaat: M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/16/498593/HL ZA 20-73 van de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2020.
[eiser] heeft tegen het vonnis beroep in cassatie ingesteld.
De Provincie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de Provincie mede door S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging van het vonnis, maar alleen voor zover daarin een beslissing over de door de Provincie aangeboden bijkomende voorziening ontbreekt en tot afdoening als in de conclusie onder 3.20 vermeld.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij het hiervoor in 1 vermelde vonnis heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken van twee perceelsgedeelten die eigendom zijn van [eiser], ten algemenen nutte ten behoeve en ten name van de Provincie.
(ii) In randnummer 10 van de inleidende dagvaarding heeft de Provincie als bijkomende voorziening aan [eiser] aangeboden:
‘Daarnaast biedt de provincie [eiser] aan de perceelsgedeelten na realisatie van het werk (de verwijdering van de turbine) terug te leveren tegen een koopprijs van € 18.109,= (zegge: achttienduizend honderdennegen euro). De provincie doet dit bijkomend aanbod gestand tot twee maanden nadat het eindvonnis in de onteigeningsprocedure onherroepelijk is geworden en het werk is uitgevoerd. De kosten van (terug)levering zijn voor rekening van de provincie.’
3 Beoordeling van het middel
Klacht E van het middel houdt in dat de rechtbank heeft verzuimd in het dictum van het bestreden vonnis te bepalen dat de Provincie de aangeboden bijkomende voorziening, die is opgenomen in de inleidende dagvaarding en ook is weergegeven in rov. 3.2 van het vonnis, gestand zal doen.
Art. 54i lid 1 Ow bepaalt dat de rechtbank de onteigening uitspreekt met onder meer bepaling van de door de onteigenende partij te treffen bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen. In randnummer 10 van de inleidende dagvaarding heeft de Provincie een bijkomende voorziening aangeboden. Daarover heeft de rechtbank in het dictum niets bepaald. De klacht is dus gegrond. De Hoge Raad kan zelf op dit punt de zaak afdoen.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2020, maar alleen voor zover in het dictum daarvan een beslissing ontbreekt over de door de Provincie aangeboden bijkomende voorziening;
- bepaalt dat de Provincie, op verlangen van [eiser], de in randnummer 10 van de inleidende dagvaarding aangeboden bijkomende voorziening gestand zal doen tot twee maanden nadat het eindvonnis in de onteigeningsprocedure onherroepelijk is geworden en het werk is uitgevoerd;
- verwerpt het beroep voor het overige;
- veroordeelt de Provincie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 526,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 oktober 2021.