Civiel recht overig
Insolventierecht. Schuldsanering. Beschikking rechtbank op grond van art. 315 Fw. Rechtsmiddelenverbod art…
Hoge Raad, 19 januari 2024
ECLI:NL:HR:2024:51 · Hoge Raad · 19 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2024-51
Zaakgegevens
Op 19 januari 2024 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 januari 2024
- Datum publicatie
- 18 januari 2024
- Zaaknummer
- 23/04126
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2024:51
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Insolventierecht. Schuldsanering. Beschikking rechtbank op grond van art. 315 Fw. Rechtsmiddelenverbod art. 360 Fw. Ontvankelijkheid cassatieberoep.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 december 2023
ECLI:NL:PHR:2023:1165Hoge Raad · 19 januari 2024deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2024:51
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04126
Datum 19 januari 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
[de schuldenaar],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de schuldenaar,
advocaten: T.T. van Zanten en M.E. ten Brinke,
tegen
[de bewindvoerder],
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de bewindvoerder,
niet verschenen.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C 08/23/1 R van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel van 11 juli 2023;
b. de beschikking in de zaak C 08/23/1 R van de rechtbank Overijssel van 12 oktober 2023.
De schuldenaar heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot niet-ontvankelijkheid van de schuldenaar in zijn cassatieberoep.
De advocaten van de schuldenaar hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
Op 10 januari 2023 is op de schuldenaar de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met benoeming van de bewindvoerder als zodanig.
De schuldenaar heeft de rechter-commissaris op de voet van art. 349a lid 2 Fw verzocht de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling te bekorten tot anderhalf jaar. Daarbij heeft de schuldenaar zich beroepen op de wijziging van de Faillissementswet die op 1 juli 2023 in werking is getreden, waarbij de reguliere wettelijke looptijd van de schuldsaneringsregeling (art. 349a lid 1 Fw) is verkort van drie jaar naar anderhalf jaar.
De rechter-commissaris heeft het verzoek van de schuldenaar afgewezen.
De schuldenaar heeft op de voet van art. 315 lid 1 Fw hoger beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris.
De rechtbank heeft de beschikking van de rechter-commissaris bekrachtigd.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De beschikking van de rechtbank is gegeven ingevolge art. 315 lid 1 Fw en is dus een ingevolge de bepalingen van de derde titel van de Faillissementswet gegeven beslissing. Tegen een dergelijke beslissing staat op grond van art. 360 Fw geen hogere voorziening open, behalve in de gevallen waarin het tegendeel is bepaald, en behoudens de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet. De Faillissementswet bevat niet een bepaling krachtens welke cassatieberoep mogelijk is tegen een beschikking als de onderhavige.
De schuldenaar heeft in cassatie geen gronden aangevoerd voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw. Overigens heeft de schuldenaar het cassatieberoep ook niet ingesteld binnen de termijn van acht dagen die geldt voor een cassatieberoep tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw gegeven beslissing van de rechtbank, waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw wordt beoogd. Dit brengt mee dat de schuldenaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart de schuldenaar niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 19 januari 2024.