Civiel recht overig
Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Persoonsgegevens betreffende strafbare feiten (art. 10 AVG)…
Hoge Raad, 6 november 2026
ECLI:NL:HR:2026:1815 · Hoge Raad · 6 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/civiel-recht-overig/cassatie/ecli-nl-hr-2026-1815
Zaakgegevens
Op 6 november 2026 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- 25/02752
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- A. Stortelder.
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2026:1815
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Persoonsgegevens betreffende strafbare feiten (art. 10 AVG). Recht van bezwaar (art. 21 AVG).
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 13 mei 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:1261Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 april 2026
ECLI:NL:PHR:2026:435Hoge Raad · 6 november 2026deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2026:1815
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02752
Datum 6 november 2026
ARREST
In de zaak van
[cliënt] handelend onder de naam [naam onderneming] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [cliënt] ,
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: ING,
advocaat: A. Stortelder.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/723993 / HA ZA 22-820 van de rechtbank Amsterdam van 7 december 2022, 29 maart 2023 en 5 juli 2023;
b. het arrest in de zaak 200.332.935/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2025.
[cliënt] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
ING heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor ING mede door H.A.A. Essebai.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [cliënt] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [cliënt] heeft een eenmanszaak met de [naam onderneming] . Volgens het handelsregister houdt deze onderneming zich onder meer bezig met de handel in oud ijzer en metalen.
(ii) [cliënt] is respectievelijk was zowel in privé als zakelijk klant van ING.
(iii) In 2021 heeft ING aan [cliënt] meegedeeld de bankrelatie voor de zakelijke rekeningen te zullen beëindigen. Daarbij heeft ING als reden genoemd dat [cliënt] in een periodiek cliëntenonderzoek geen transparant beeld heeft gegeven van het gebruik van de zakelijke rekeningen en dat ING daardoor onvoldoende inhoud kan geven aan haar verplichtingen op grond van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft).
(iv) Na nadere correspondentie met [cliënt] heeft ING de zakelijke bankrelatie in oktober 2022 beëindigd. [cliënt] heeft zich daar aanvankelijk tegen verzet, maar heeft daar uiteindelijk in berust.
(v) ING heeft over [cliënt] gegevens opgenomen in haar Gebeurtenissenadministratie en in haar Interne Verwijzingsregister (hierna: IVR) voor een periode van acht jaar. In de Gebeurtenissenadministratie is de volgende aantekening opgenomen (hierna: de aantekening):
“Relatie komt voor 8 jaar in het IVR met als voornaamste reden dat relatie grote cashuitgaven gedaan heeft die niet te verantwoorden zijn. Daarbij speelt mee dat relatie geen adequate boekhouding van de cashinkopen bijgehouden heeft en te weinig maatregelen neemt om zijn betrokkenheid bij heling, witwassen en andere FEC [‘financial economic crime’] uit te sluiten.”
[cliënt] heeft gevorderd ING te bevelen de registratie van [cliënt] in het IVR te schrappen, en geschrapt te houden, althans op een dusdanige wijze te wijzigen dat daaruit niet langer volgt dat [cliënt] op enigerlei wijze betrokken is bij enig misdrijf, althans dat het risico bestaat dat [cliënt] betrokken is of zou kunnen zijn bij enig misdrijf. De rechtbank heeft de vordering van [cliënt] afgewezen.
In hoger beroep heeft [cliënt] zijn eis gewijzigd. Voor zover in cassatie van belang heeft [cliënt] gevorderd ING te bevelen (i) om al die persoonsgegevens in de Gebeurtenissenadministratie te wissen waaruit volgt dat ten aanzien van [cliënt] niet uitgesloten kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en/of enige andere vorm van (financiële) criminaliteit en (ii) om de registratie in het IVR te schrappen.
Het hof heeft het vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer als volgt overwogen:
“Registratie van strafrechtelijke persoonsgegevens?
[cliënt] heeft betoogd dat de aantekening moet worden aangemerkt als de registratie van strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 10 AVG, die alleen onder de daarin genoemde voorwaarden mogen worden verwerkt. Volgens [cliënt] geldt voor de registratie van strafrechtelijke persoonsgegevens de hoge norm van ‘meer dan een redelijk vermoeden van schuld’ en is daaraan in deze zaak niet voldaan. Het hof verwerpt dit betoog. Strafrechtelijke persoonsgegevens zijn zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van art. 350 Sv. – kunnen dragen (Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720). De feiten en omstandigheden die in de aantekening worden vermeld zijn, kort gezegd, het doen van grote cashuitgaven zonder verantwoording, het niet bijhouden van een adequate boekhouding van cashinkopen en het nemen van te weinig maatregelen om betrokkenheid bij een aantal genoemde misdrijven c.q. overtredingen uit te sluiten. Dit zijn naar het oordeel van het hof geen feiten en omstandigheden die een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring kunnen dragen.
Het voorgaande betekent dat [cliënt] zijn vorderingen niet met succes kan baseren op de grond dat ING strafrechtelijke persoonsgegevens van hem heeft verwerkt.
AVG en Gedragscode
(…)
Op grond van artikel 5 lid 1 sub b AVG mogen persoonsgegevens alleen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verwerkt. De verwerkte persoonsgegevens moeten juist zijn (artikel 5 lid 1 sub d AVG), en moeten beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (artikel 5 lid 1 sub c AVG).
De verwerking is gerechtvaardigd indien voldaan is aan ten minste één van de in artikel 6 lid 1 AVG opgesomde gevallen. Een daarvan is artikel 6 lid 1 sub f AVG, en de daarmee corresponderende bepaling artikel 4 lid 3 sub f van de Gedragscode. Dit laatste artikel noemt, kort gezegd, het geval dat de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke (de financiële instelling) of van een derde, mits de belangen van de betrokkene niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang van de verwerkingsverantwoordelijke. Dit wordt, voor zover hier van belang, als volgt uitgewerkt in de Gedragscode.
Volgens artikel 2 sub k Gedragscode is de Gebeurtenissenadministratie de verwerking van persoonsgegevens (als bedoeld in artikel 2 sub t Gedragscode) die van belang kunnen zijn voor de veiligheid en integriteit van de financiële instelling en om die reden speciale aandacht behoeven. Artikel 5 Gedragscode noemt de doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens door een financiële instelling. Artikel 5.1.1 Gedragscode vermeldt de activiteiten waarbij een financiële instelling persoonsgegevens verwerkt. Een daarvan is de activiteit genoemd in artikel 5.1.1 sub d Gedragscode, kort gezegd het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector waaronder het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van (pogingen tot) (strafbare of laakbare) gedragingen gericht tegen de branche waar een financiële instelling deel van uitmaakt. Artikel 5.5.1 Gedragscode bepaalt hierover het volgende:
Ten behoeve van de veiligheid en integriteit van de Financiële sector kunnen gegevens, waaronder Persoonsgegevens, die betrekking hebben op: (i) gebeurtenissen die gelet op het bijzondere karakter van de Financiële sector de zorg en aandacht behoeven van de Financiële instelling; (ii) (potentiële) vorderingen onder meer ten aanzien van een met de Financiële instelling gesloten overeenkomst; (iii) het niet nakomen van contractuele verplichtingen of andere (toerekenbare) tekortkomingen; of (iv) handelingen van Financiële instellingen, waaronder onderzoek als bedoeld in artikel 5.6.1 Gedragscode, worden opgenomen in een Gebeurtenissenadministratie gehouden door Veiligheidszaken of een daartoe aangewezen afdeling van de betreffende Financiële instelling. Op deze Gebeurtenissenadministratie is de Gedragscode van toepassing.
Artikel 5.6. Gedragscode gaat over de verwerking van persoonsgegevens in verband met wettelijke voorschriften en noemt in artikel 5.6.1 sub a het cliëntenonderzoek op grond van de Wwft.
ING voert het verweer dat zij de persoonsgegevens van [cliënt] heeft verwerkt voor een gerechtvaardigd doel, namelijk het waarborgen van de veiligheid en de integriteit van de financiële sector, en dat haar belang daarbij zwaarder weegt dan het belang van [cliënt] . Volgens ING hebben de verwerkte persoonsgegevens van [cliënt] betrekking op een gebeurtenis die gelet op het bijzondere karakter van de financiële sector de aandacht van ING behoeft. Zij wijst erop dat deze persoonsgegevens verband houden met een cliëntenonderzoek op grond van de Wwft.
Dit verweer slaagt. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen van de Gedragscode volgt dat de verwerking van persoonsgegevens in verband met een cliëntenonderzoek op grond van de Wwft, door opname daarvan in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie - die beide met waarborgen zijn omgeven - een gerechtvaardigd doel is. ING heeft een gerechtvaardigd en zwaarwegend belang, ook gelet op haar verplichtingen onder de Wwft, om gedurende zekere tijd bij te houden dat zij de relatie met een cliënt heeft beëindigd en waarom. Het - op zich zelf eveneens zwaarwegende - belang van [cliënt] dat zijn persoonsgegevens niet worden geregistreerd weegt hier onder de omstandigheden van dit geval niet tegen op. Niet gebleken is dat de persoonsgegevens van [cliënt] voor derden toegankelijk zijn of zijn geweest. Evenmin is gebleken dat [cliënt] als gevolg van de registratie wordt belemmerd bij het afnemen van financiële diensten van derden. ING heeft in eerste aanleg onbetwist gesteld dat [cliënt] relaties onderhoudt met verschillende banken. [cliënt] heeft zelf erkend dat hij na de opzegging door ING zijn zakelijke rekeningen heeft ondergebracht bij een Duitse bank en op dezelfde manier werkt als waarop hij werkte toen hij nog bij ING bankierde. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat ING in eerste aanleg, eveneens onbetwist, heeft gesteld dat [cliënt] na de opzegging door ING een rekening heeft kunnen openen bij [naam andere bank] . Daaruit kan worden afgeleid dat [cliënt] evenmin is belemmerd bij het aangaan van een nieuwe bankrelatie.
Het hof verwerpt het betoog van [cliënt] dat de verwerking door ING van zijn persoonsgegevens niet accuraat is. ING heeft in het Gebeurtenissenregister niet meer opgenomen dan een vermelding van de redenen voor de beëindiging van de bankrelatie. Die vermelding - de aantekening - sluit aan bij de redenen die ING heeft genoemd in de brief aan [cliënt] (…). [cliënt] heeft (uiteindelijk) in de opzegging berust en in die omstandigheid kan niet worden aangenomen dat de aantekening niet accuraat is. De stelling van [cliënt] dat ING de aantekening alleen in het Gebeurtenissenregister zou mogen opnemen indien zij bewijst dat de redenen die zijn gegeven voor de beëindiging van de bankrelatie in voldoende mate vaststaan, gaat niet op. Een dergelijke verplichting volgt niet uit artikel 5 lid 2 AVG. [cliënt] stelling dat ING zou moeten bewijzen dat in voldoende mate vaststaat dat [cliënt] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen of een ander strafbaar feit mist feitelijke grondslag. Niet gebleken is dat ING iets dergelijks ergens in haar administratie heeft opgenomen. Uit de vermelding dat [cliënt] “te weinig maatregelen neemt om zijn betrokkenheid bij heling, witwassen en andere FEC uit te sluiten” volgt dat (ook) niet. De persoonsgegevens van [cliënt] die ING heeft verwerkt, strekken - anders dan [cliënt] heeft betoogd - naar het oordeel van het hof niet verder dan noodzakelijk is voor het doeleinde waarvoor zij zijn verwerkt.
[cliënt] heeft betoogd dat in het geval ING een melding over hem doet bij de Financiële inlichtingen eenheid (FIU) in de zin van artikel 16 Wwft, de informatie opgenomen in het IVR en de Gebeurtenissenadministratie aan de politie moet worden verstrekt. Dit betoog, dat ING heeft betwist, kan hem niet baten. Ook als het juist zou zijn, neemt dat de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens door ING niet weg.”
3 Beoordeling van het middel
Strafrechtelijke persoonsgegevens (art. 10 AVG)
Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.12 dat strafrechtelijke persoonsgegevens in de zin van art. 10 Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) zodanige concrete feiten en omstandigheden zijn dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van art. 350 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – kunnen dragen. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het begrip ‘strafbare feiten’ in art. 10 AVG een autonome Unierechtelijke betekenis heeft die inhoudt dat niet alleen de juridische kwalificatie van het desbetreffende feit naar nationaal recht van belang is, maar ook de aard zelf van het strafbare feit en de zwaarte van de sancties die daarvoor opgelegd kunnen worden.
Art. 10 AVG bepaalt dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen op grond van art. 6 lid 1 van die verordening alleen mogen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of op voorwaarde dat de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden.
Het begrip ‘strafbaar feit’ in art. 10 AVG moet in de Europese Unie autonoom en uniform worden uitgelegd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft in dit verband overwogen in de zaak B/Latvijas Republikas Saeima:
“87. Volgens de rechtspraak van het Hof zijn er drie criteria relevant om te beoordelen of een strafbaar feit van strafrechtelijke aard is. Het eerste criterium is de juridische kwalificatie van het strafbare feit naar nationaal recht, het tweede criterium is de aard zelf van het strafbare feit en het derde criterium is de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd (…).
88. Zelfs voor strafbare feiten die naar nationaal recht niet als strafbare feiten in strafrechtelijke zin worden gekwalificeerd, kan een dergelijk karakter niettemin voortvloeien uit de aard zelf van het strafbare feit in kwestie en uit de zwaarte van de sancties die daarvoor kunnen worden opgelegd (…).”
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een ‘strafbaar feit’ als bedoeld in art. 10 AVG, zijn dus drie criteria relevant: (i) de juridische kwalificatie van het strafbare feit naar nationaal recht, (ii) de aard zelf van het strafbare feit, en (iii) de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd.
Voor de juridische kwalificatie van een strafbaar feit naar Nederlands recht is de beschikking van de Hoge Raad van 29 mei 2009 van belang. Hierin heeft de Hoge Raad over het begrip ‘strafrechtelijke persoonsgegevens’ als bedoeld in art. 16 en 22 van de toenmalige Wet bescherming persoonsgegevens overwogen dat hieronder wordt verstaan “zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van art. 350 Sv – kunnen dragen” en dat in dat verband als maatstaf geldt “of de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan”.
Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat voor de vraag of sprake is van een ‘strafbaar feit’ als bedoeld in art. 10 AVG de drie hiervoor in 3.1.3 genoemde criteria gelden. Anders dan het onderdeel betoogt, heeft het hof dat niet miskend. In het licht van het partijdebat (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.5) heeft het hof kunnen oordelen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat het tweede en derde criterium in deze zaak niet aan de orde zijn. Daarop stuit onderdeel 1 af.
Recht van bezwaar (art. 21 lid 1 AVG)
Onderdeel 2.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.19 waarin het hof, kort gezegd, heeft geoordeeld dat ING de persoonsgegevens van [cliënt] heeft verwerkt voor een gerechtvaardigd doel, nu ING een gerechtvaardigd en zwaarwegend belang heeft, ook gelet op haar verplichtingen onder de Wwft, om gedurende zekere tijd bij te houden dat zij de relatie met een cliënt heeft beëindigd, alsmede dat en waarom het – op zich zelf eveneens zwaarwegende – belang van [cliënt] dat zijn persoonsgegevens niet worden geregistreerd daar in de omstandigheden van dit geval niet tegen opweegt. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat ING op grond van art. 21 lid 1 AVG de verwerking van persoonsgegevens moet staken, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert. Het hof heeft ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of sprake is van dergelijke dwingende gerechtvaardigde gronden, aldus de klacht.
Art. 21 lid 1 AVG bepaalt dat de betrokkene te allen tijde het recht heeft om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van art. 6 lid 1, aanhef en onder e of f, AVG, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen, en dat de verwerkingsverantwoordelijke de verwerking van de persoonsgegevens staakt tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.
Het hof heeft in rov. 5.19 geoordeeld dat ING een gerechtvaardigd en zwaarwegend belang heeft, ‘ook gelet op haar verplichtingen onder de Wwft’. In dat oordeel ligt besloten dat ING dwingende gerechtvaardigde gronden heeft aangevoerd die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van [cliënt] . Reeds daarop stuit de klacht af.
Overige klachten
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [cliënt] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ING begroot op € 905,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [cliënt] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president M.J. Kroeze als voorzitter, de vicepresident C.E. du Perron en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 6 november 2026.