Personen- en familierecht
Hoge Raad · Cassatie · Personen- en familierecht
Hoge Raad, 28 september 2001
ECLI:NL:HR:2001:ZC3696 · Hoge Raad · 28 september 2001
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2001-zc3696
Zaakgegevens
Op 28 september 2001 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 28 september 2001
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- R00/156HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R. Kaya
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2001:ZC3696
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 28 september 2001deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2001:ZC3696
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 28 september 2001
ECLI:NL:PHR:2001:ZC3696
Uitspraak
28 september 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/156HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R. Kaya,
t e g e n
[De moeder], wonende te België,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 17 oktober 1996 ter griffie van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht een omgangsregeling te treffen tussen hem en [het] minderjarige [kind], bij voorkeur gedurende een weekend per veertien dagen, althans een zodanige regeling als de Rechtbank zal vermenen te behoren.
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - heeft het verzoek bestreden.
Bij de mondelinge behandeling door de Rechtbank heeft de vader zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij subsidiair verzocht een informatieregeling als bedoeld in art. 1:377b BW vast te leggen.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 5 november 1997 het verzoek strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen en voorts bepaald dat de moeder éénmaal per kwartaal de vader schriftelijk dient te informeren over de ontwikkelingen van [het kind] en tweemaal per jaar een recente foto van [het kind] aan de vader ter hand dient te stellen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Nadat het Hof bij tussenbeschikking van 12 januari 2000 de advocaat van de moeder had opgedragen een verslag van de behandelend psychiater van [het kind] als vermeld in de tussenbeschikking onder 4.6 over te leggen alsmede ervoor zorg te dragen en te bevestigen dat de informatie over het vierde kwartaal 1999 en een goedlijkende recente foto aan de vader was verzonden, heeft het Hof bij eindbeschikking van 27 september 2000 de bestreden beschikking bekrachtigd.
De eindbeschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 september 2001.