Personen- en familierecht
Hoge Raad · Cassatie · Personen- en familierecht
Hoge Raad, 19 april 2002
ECLI:NL:HR:2002:AD9141 · Hoge Raad · 19 april 2002
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2002-ad9141
Zaakgegevens
Op 19 april 2002 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 april 2002
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R01/028HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.H.M van Swaaij, mr. K.G.W. van Oven
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2002:AD9141
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Hoge Raad · 19 april 2002deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2002:AD9141
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 19 april 2002
ECLI:NL:PHR:2002:AD9141
Uitspraak
19 april 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/028HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift d.d. 4 september 1997 heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot de Rechtbank te Utrecht en verzocht:
1. verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - te veroordelen om op de in het verzoekschrift vermelde gronden aan de vrouw bij wijze van voorschot een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te betalen;
2. de man te veroordelen over te gaan tot vermogensbeschrijving en verrekening van de gedurende het huwelijk overgespaarde c.q. belegde inkomsten, alsmede alle benodigde inlichtingen te verschaffen omtrent het begin- en het eindvermogen en de man te veroordelen om de helft van het te verrekenen vermogen aan de vrouw uit te betalen althans de man te veroordelen om over te gaan tot afrekening.
De man heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft na tussenbeschikkingen van 30 september 1998 en 2 juni 1999 bij beschikking van 22 september 1999 bepaald dat de man aan de vrouw dient te betalen ƒ 103.421,66, de man verzocht de op pagina 4 punt 4 van de beschikking vermelde gegevens aan de Rechtbank en de wederpartij toe te zenden en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij eindbeschikking van 15 december 1999 heeft de Rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw (aanvullend) dient te betalen ƒ 3.663,41. Het meer of anders verzochte heeft de Rechtbank afgewezen.
Tegen de beschikking van 22 september 1999 heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (ingeschreven onder rekestnummer 993/99). De vrouw heeft afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van 22 september 1999 en 15 december 2000 (ingeschreven onder rekestnummer 152/00). Het Hof heeft beide beroepen tezamen behandeld.
Bij beschikking van 21 december 2000 heeft het Hof, in de zaak met rekestnummer 993/99, de beschikking waarvan beroep vernietigd en alsnog het bedrag dat de man aan de vrouw zal dienen te voldoen bepaald op de in de beschikking onder 6.3 bepaalde bedragen onder de daar genoemde bedingen. Het meer of anders gevorderde ter zake van de verrekening - behoudens de nog in de zaak met rekestnummer 152/00 te beslissen punten - heeft het Hof afgewezen. In de zaak met rekestnummer 152/00 heeft het Hof, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, de man bevolen om inlichtingen te verschaffen zoals in zijn beschikking onder 5.13 omschreven.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de onder rekestnummer 993/99 gegeven beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 april 2002.