Personen- en familierecht
23 april 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R02/101HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De…
Hoge Raad, 23 april 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO1972 · Hoge Raad · 23 april 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ao1972
Zaakgegevens
Op 23 april 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R02/101HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P.C.M van Schijndel, mr. E.F.A. Linssen-van Rossum
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AO1972
Samenvatting
23 april 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R02/101HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vader], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel, t e g e n [De moeder], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 23 april 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AO1972
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 april 2004
ECLI:NL:PHR:2004:AO1972
Uitspraak
23 april 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/101HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 23 januari 2001 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht - met wijziging van de beschikking van 29 april 1998 - de aan haar ten laste van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - te betalen kinderalimentatie met ingang van 23 januari 2001 vast te stellen voor [de dochter], geboren op 24 maart 1986, op ƒ 1.250,-- per maand en voor [de zoon], geboren op 10 januari 1990, op ƒ 625,-- per maand, althans op een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
De vader heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 31 augustus 2001 het verzoek van de moeder toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 30 oktober 2002 heeft het hof de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het cassatieverzoek af te wijzen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 april 2004.