Personen- en familierecht
26 maart 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/084HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De…
Hoge Raad, 26 maart 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO1993 · Hoge Raad · 26 maart 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2004-ao1993
Zaakgegevens
Op 26 maart 2004 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 maart 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R03/084HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. K.G.W. van Oven
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2004:AO1993
Samenvatting
26 maart 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R03/084HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. K.G.W. van Oven, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 26 maart 2004deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2004:AO1993
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 maart 2004
ECLI:NL:PHR:2004:AO1993
Uitspraak
26 maart 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/084HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 26 april 2001 ter griffie van de rechtbank te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van hem met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - geboren kinderen (1) [de dochter 1], geboren op [geboortedatum] 1989 en (2) [de dochter 2], geboren op [geboortedatum] 1992, bij de man zal zijn en dat de vrouw gerechtigd zal zijn om elke veertien dagen een aaneengesloten periode van vier dagen vrijelijk omgang met de kinderen te hebben.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 22 januari 2002 de raad voor de kinderbescherming verzocht rapport en advies uit te brengen en bij eindbeschikking van 12 november 2002 overeenkomstig het advies van de raad de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man bepaald en een zodanige omgangsregeling vastgesteld dat de vrouw een weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zonderdag 19.00 uur, alsmede de helft van alle schoolvakanties tot omgang met de kinderen gerechtigd is.
Tegen deze eindbeschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 24 april 2003 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A.M.J. van Buchem-Spapens, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 26 maart 2004.