Personen- en familierecht
21 januari 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R03/150HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1…
Hoge Raad, 21 januari 2005
ECLI:NL:HR:2005:AS3518 · Hoge Raad · 21 januari 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2005-as3518
Zaakgegevens
Op 21 januari 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 januari 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R03/150HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.A.R. Schuckink Kool
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AS3518
Samenvatting
21 januari 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R03/150HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. [Verzoekster 1], 2. [Verzoeker 2], beiden wonende te [woonplaats], VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool, t e g e n DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, gevestigd te Utrecht, VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 21 januari 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AS3518
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 januari 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AS3518
Uitspraak
21 januari 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R03/150HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Verzoekster 1],
2. [Verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 22 mei 2003 ter griffie van de rechtbank te Utrecht ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de raad voor de kinderbescherming - zich gewend tot de kinderrechter aldaar en verzocht de hierna te noemen minderjarige kinderen [...] van verzoekers tot cassatie onder toezicht te stellen:
1. [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
2. [kind 2], geboren te [geboorteplaats], België, op [geboortedatum] 1989,
3. [kind 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
4. [kind 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
5. [kind 5 ], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
6. [kind 6], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
7. [kind 7], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
8. [kind 8], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000.
De Kinderrechter heeft op 3 juni 2003 de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld en bij beschikking van diezelfde dag alle voornoemde kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld met benoeming van de Ambulante Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening van de Stichting Leger des Heils (A.J.L.) als gezinsvoogdij-instelling.
Tegen deze beschikking hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de ouders - hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 2 oktober 2003 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben de ouders beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raad voor de kinderbescherming heeft geen verweerschrift ingediend.
De advocaat van de ouders heeft bij brief van 12 juli 2004 de Hoge Raad bericht dat de ondertoezichtstelling ten aanzien van de vier oudste kinderen met ingang van 3 juni 2004 niet is verlengd en dat het cassatieverzoek ten aanzien van deze vier kinderen is ingetrokken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de ouders in hun cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De duur van de ondertoezichtstelling is door de rechtbank bij haar door de bestreden beschikking bekrachtigde beschikking bepaald op een jaar, zodat de termijn waarvoor die maatregel gold inmiddels is verstreken. Om deze reden hebben de ouders geen belang bij hun beroep, waaraan niet afdoet dat de ondertoezichtstelling ingaande 3 juni 2004 met een jaar is verlengd, zodat zij in dat beroep niet kunnen worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 januari 2005.