Personen- en familierecht
13 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/064HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De…
Hoge Raad, 13 mei 2005
ECLI:NL:HR:2005:AS5956 · Hoge Raad · 13 mei 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2005-as5956
Zaakgegevens
Op 13 mei 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 mei 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R04/064HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.K. Oostlander-Vos
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AS5956
Samenvatting
13 mei 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/064HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. A.K. Oostlander-Vos, t e g e n [De man], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 13 mei 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AS5956
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 13 mei 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AS5956
Uitspraak
13 mei 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/064HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.K. Oostlander-Vos,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 december 2002 ter griffie van de rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en primair verzocht zijn onderhoudsverplichting jegens verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 27 september 1999 te beëindigen en subsidiair voormelde bijdrage met ingang van 27 september 1999 op nihil te stellen.
De vrouw heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 21 juli 2003 de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw definitief beëindigd met ingang van 1 januari 2001 en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De vrouw heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, voor zover in cassatie van belang, alsnog te beslissen dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 17 februari 2004 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, voor zover het de ingangsdatum van de beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende, de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw definitief beëindigd met ingang van 1 maart 2000. Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 13 mei 2005.