Personen- en familierecht
8 juli 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/078HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De…
Hoge Raad, 8 juli 2005
ECLI:NL:HR:2005:AT4542 · Hoge Raad · 8 juli 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2005-at4542
Zaakgegevens
Op 8 juli 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R04/078HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.N.G.N.H Brech, mr. R.T.R.F. Carli
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AT4542
Samenvatting
8 juli 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/078HR JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], België, VERZOEKER tot cassatie, incidenteel verweerder, advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], België, VERWEERSTER in cassatie, incidenteel verzoekster, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli. 1. Het geding in feitelijke instanties...
Procesgang
Hoge Raad · 8 juli 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AT4542
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 juli 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AT4542
Uitspraak
8 juli 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/078HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKER tot cassatie,
incidenteel verweerder,
advocaat: mr. M.N.G.N.H. Brech,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats], België,
VERWEERSTER in cassatie,
incidenteel verzoekster,
advocaat: mr. R.T.R.F. Carli.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 19 november 2002 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken met als nevenvoorziening de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man op € 600,-- per maand, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man heeft het alimentatieverzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 16 mei 2003 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de alimentatie voor de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand vastgesteld op € 345,-- per maand en deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen deze beschikking heeft man, wat de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw betreft, bij het gerechtshof te 's-Gravenhage hoger beroep ingesteld. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 31 maart 2004 heeft het hof in het principale en het incidentele hoger beroep de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift houdende het incidentele beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot verwerping daarvan.
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad,
in het principale beroep en in het incidentele beroep,
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 8 juli 2005.