Personen- en familierecht
Vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarig kind, weigering van moeder tot medewerking aan…
Hoge Raad, 21 oktober 2005
ECLI:NL:HR:2005:AU3723 · Hoge Raad · 21 oktober 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2005-au3723
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2005 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R05/011HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P Garretsen, mr. L. van Hoppe
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2005:AU3723
Samenvatting
Vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarig kind, weigering van moeder tot medewerking aan DNA-onderzoek; ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen ‘s hofs beschikking tot bekrachtiging van de tussenbeschikking van de rechtbank met vaststelling dat vader de verwekker is en met verzoek aan de raad voor de kinderbescherming tot het doen van onderzoek, openstelling tussentijds appel niet tevens openstelling tussentijds cassatieberoep.
Procesgang
Hoge Raad · 21 oktober 2005deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2005:AU3723
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 21 oktober 2005
ECLI:NL:PHR:2005:AU3723
Uitspraak
21 oktober 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/011HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. L. van Hoppe.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 27 september 2002 ter griffie van de rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht hem toestemming te verlenen om [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2002, hierna: [kind 1], te erkennen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 29 november 2002 een bijzondere curator over [de dochter] benoemd.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft het verzoek bestreden en de rechtbank verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.
Na een mondelinge behandeling op 7 januari 2003 heeft de rechtbank bij beschikkingen van 24 februari 2003 en 7 januari 2004 de raad voor de kinderbescherming te Tilburg verzocht (nader) rapport en advies uit te brengen. Bij beschikking van 29 april 2004 heeft de rechtbank wederom de raad voor de kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen, iedere verdere beslissing aangehouden, en tussentijds hoger beroep opengesteld.
Tegen de beschikking 29 april 2004 heeft de vrouw bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 21 oktober 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft primair verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, althans het beroep te verwerpen.
De vrouw heeft verzocht het beroep van de man op niet-ontvankelijkheid te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijk-verklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De vrouw dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beroep op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.6 uiteengezette gronden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren, P.C. Kop, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 21 oktober 2005.