Personen- en familierecht
Geschil over partneralimentatie, Wet limitering na echtscheiding, verlenging termijn (81 RO).
Hoge Raad, 10 februari 2006
ECLI:NL:HR:2006:AU5278 · Hoge Raad · 10 februari 2006
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2006-au5278
Zaakgegevens
Op 10 februari 2006 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 februari 2006
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R04/111HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B.D.W Martens, mr. W.B. Teunis
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2006:AU5278
Samenvatting
Geschil over partneralimentatie, Wet limitering na echtscheiding, verlenging termijn (81 RO).
Procesgang
Uitspraak · 2004
ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ9343Hoge Raad · 10 februari 2006deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2006:AU5278
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 februari 2006
ECLI:NL:PHR:2006:AU5278
Uitspraak
10 februari 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/111HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. W.B. Teunis.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 4 februari 2003 ter griffie van de rechtbank te Haarlem ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de termijn gedurende welke verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw moet betalen, met ingang van 17 februari 2003 te verlengen met primair een periode van vijftien jaar, subsidiair een periode van vijf jaar en meer subsidiair een zodanige periode als de rechtbank aangewezen acht.
De man heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 2 september 2003:
- met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van het gerechtshof te Arnhem van 7 maart 2000 bepaald dat de termijn gedurende welke de man nog verplicht is een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen, wordt verlengd en dat deze zal eindigen op 17 februari 2018;
- bepaald dat verlenging van voornoemde termijn na ommekomst daarvan mogelijk is;
- met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 18 december 1992 bepaald dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 17 februari 2003 wordt gesteld op € 215,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;
- bepaald dat de hiervoor vastgestelde bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage;
- deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en
- het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 8 juli 2004 heeft het hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de vrouw alsnog afgewezen, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 17 februari 2003 tot de datum van deze beschikking meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de termijn gedurende welke de man nog verplicht is een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen tot de datum van deze beschikking wordt verlengd en de uitkering tot de datum van deze beschikking wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 februari 2006.