Personen- en familierecht
Familierecht. Geschil tussen voormalig samenwonende partners over de stopzetting van de eerder vastgestelde…
Hoge Raad, 16 maart 2007
ECLI:NL:HR:2007:AZ5445 · Hoge Raad · 16 maart 2007
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2007-az5445
Zaakgegevens
Op 16 maart 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 maart 2007
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- R06/053HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. V.K.S. Budhu Lall
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2007:AZ5445
Samenvatting
Familierecht. Geschil tussen voormalig samenwonende partners over de stopzetting van de eerder vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en zijn, tijdens hun affectieve relatie geboren, minderjarige kinderen over wie alleen de moeder het gezag uitoefent (81 RO).
Procesgang
Hoge Raad · 16 maart 2007deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2007:AZ5445
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 maart 2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ5445
Uitspraak
16 maart 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/053HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall,
t e g e n
[De moeder],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 6 november 2003 ter griffie van de rechtbank te Dordrecht ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van 7 november 2002 van het gerechtshof te Amsterdam betreffende de omgangsregeling tussen haar minderjarige kinderen [dochter 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994 en [dochter 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997 en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de vader - te wijzigen, in die zin dat er geen omgang zal plaatshebben.
Bij beschikking van 21 april 2004 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de zaak kennis te nemen en de zaak doorverwezen naar de rechtbank te Rotterdam.
De vader heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 maart 2005 het verzoek van de moeder tot stopzetting van de omgangsregeling afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 25 januari 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende en met wijziging van de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 7 november 2002, het verzoek van de moeder omtrent de omgang alsnog toegewezen, bepaald dat de vader geen omgang zal hebben met [dochter 1] en de vader de omgang met [dochter 2] voor onbepaalde tijd ontzegd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 maart 2007.