Personen- en familierecht

Personen- en familierecht. Vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarig kind (art. 1:204 lid 3…

Hoge Raad, 9 november 2007

Zaakgegevens

Op 9 november 2007 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 november 2007
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
R07/018HR
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. S Kousedghi, mr. J van Duijvendijk-Brand
ECLI
ECLI:NL:HR:2007:BB3765
E-mail

Samenvatting

Personen- en familierecht. Vervangende toestemming tot erkenning van een minderjarig kind (art. 1:204 lid 3 BW) (art. 81 RO).

Procesgang

  1. Hoge Raad · 9 november 2007deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2007:BB3765

  2. Conclusie A-G · 9 november 2007

    ECLI:NL:PHR:2007:BB3765

Uitspraak

9 november 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R07/018HR

MK/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

e n t e g e n

mr. S.M.E. VAN FRAAIJENHOVE-VAN DER MAAS, in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de hierna te noemen minderjarige [de zoon],

kantoorhoudende te Breda,

BELANGHEBBENDE in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man, de vrouw en de bijzonder curator.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 oktober 2005 ter griffie van de rechtbank Breda ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de uit de relatie tussen partijen geboren minderjarige [de zoon].

De rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 2005 de bijzonder curator benoemd.

De vrouw heeft vervolgens het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 3 april 2006 de vervangende toestemming tot erkenning verleend.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 1 november 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen. De bijzonder curator heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 november 2007.