Personen- en familierecht
Familierecht. Afwijzing van als nevenvoorziening in echtscheidingsprocedure door de man gedaan verzoek tot…
Hoge Raad, 11 juli 2008
ECLI:NL:HR:2008:BC8979 · Hoge Raad · 11 juli 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2008-bc8979
Zaakgegevens
Op 11 juli 2008 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 juli 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- R07/083HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H.J.W. Alt
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2008:BC8979
Samenvatting
Familierecht. Afwijzing van als nevenvoorziening in echtscheidingsprocedure door de man gedaan verzoek tot teruggave door de vrouw van bij de aanvang van het huwelijk door haar ontvangen sieraden en gouden riem; gebrek aan belang bij verzoek van de man nu deze stelt dat over de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap nog afzonderlijk moet worden beslist; geen gebondenheid van de rechter die over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moet beslissen aan het ter motivering van de afwijzing van de gevraagde nevenvoorziening gegeven oordeel.
Procesgang
Hoge Raad · 11 juli 2008deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2008:BC8979
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 juli 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC8979
Uitspraak
11 juli 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/083HR
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 31 januari 2006 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, tussen partijen echtscheiding uit te spreken.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 april 2006 de echtscheiding uitgesproken.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De man heeft in hoger beroep enkele nevenvoorzieningen verzocht.
Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft het hof de echtscheiding naar Nederlands recht tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de vrouw aan de man € 240,-- per maand zal betalen als uitkering in zijn levensonderhoud en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Partijen zijn op 21 oktober 2003 te Berkane (Marokko) gehuwd.
(ii) De vrouw heeft de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft zich in 2004 in Nederland gevestigd.
3.2 De man heeft, in de onderhavige scheidingszaak, in hoger beroep als nevenvoorziening, onder meer - naar het hof kennelijk heeft begrepen - verzocht de veroordeling van de vrouw tot teruggave van diverse sieraden en een gouden riem die de vrouw bij de aanvang van het huwelijk heeft ontvangen.
3.3 Het hof heeft dit verzoek van de man afgewezen op de gronden (a) dat niet Marokkaans recht, zoals de man had aangevoerd, maar Nederlands recht van toepassing is op het huwelijkvermogensregime van partijen, (b) dat nu niet gebleken is van tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden, naar Nederlands recht van rechts-wege een algehele gemeenschap van goederen is ontstaan, (c) dat riem en sieraden als verknocht aan de vrouw kunnen worden beschouwd aangezien deze aan haar cadeau zijn gegeven en derhalve geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap.
3.4 Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof terecht heeft beslist dat Nederlands recht van toepassing is op het tussen partijen geldende huwelijksvermogens-regime. Nu de man voorts, blijkens de inleiding op de klachten onder a, stelt dat de verdeling van de gemeenschap van goederen thans nog niet aan de orde is en dat daarover zo nodig afzonderlijk zal moeten worden geprocedeerd, mist de man belang bij zijn klachten tegen het in 3.3 onder c vermelde oordeel. Anders dan de man veronderstelt, is de rechter die zo nodig zal hebben te beslissen over de vraag of en op welke wijze de riem en de sieraden in de verdeling moeten worden betrokken, niet gebonden aan dit ter motivering van de afwijzing van de gevraagde nevenvoorziening gegeven oordeel.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A. Hammerstein, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 11 juli 2008.