Personen- en familierecht
Art. 81 RO. Familierecht. IPR. Verzoek tot wijziging van door Engelse rechter vastgestelde omgangsregeling.
Hoge Raad, 9 september 2011
ECLI:NL:HR:2011:BQ4831 · Hoge Raad · 9 september 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2011-bq4831
Zaakgegevens
Op 9 september 2011 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 september 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/02595
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. P. Garretsen
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2011:BQ4831
Samenvatting
Art. 81 RO. Familierecht. IPR. Verzoek tot wijziging van door Engelse rechter vastgestelde omgangsregeling.
Procesgang
Gerechtshof 's-Gravenhage · 11 februari 2009
ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1491Gerechtshof 's-Gravenhage · 17 maart 2010
ECLI:NL:GHSGR:2010:BM0315Hoge Raad · 9 september 2011deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2011:BQ4831
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 september 2011
ECLI:NL:PHR:2011:BQ4831
Uitspraak
9 september 2011
Eerste Kamer
10/02595
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vader],
wonende te [woonplaats], Groot-Brittannië,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en de moeder.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 221838/F1 RK 04-1759 van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2005, 3 november 2005 en 29 mei 2007;
b. de beschikkingen in de zaak 105.011.773/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 februari 2009 en 17 maart 2010.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikkingen van het hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 9 september 2011.