Personen- en familierecht

Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Verzoek tot wijziging kinderalimentatie; art. 1:401 lid 1 BW.

Hoge Raad, 28 juni 2013

Zaakgegevens

Op 28 juni 2013 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28 juni 2013
Datum publicatie
4 juli 2013
Zaaknummer
13/01376
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. J.F.M. van Weegberg
ECLI
ECLI:NL:HR:2013:50
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. Familierecht. Verzoek tot wijziging kinderalimentatie; art. 1:401 lid 1 BW.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 18 december 2012

    ECLI:NL:GHAMS:2012:BZ0742
  2. Conclusie A-G · 17 mei 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:CA0722
  3. Hoge Raad · 28 juni 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2013:50

    Niet ontvankelijk · Conclusie gevolgd

Uitspraak

28 juni 2013

Eerste Kamer

nr. 13/01376

RM/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J.F.M. van Weegberg,

t e g e n

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

  1. de beschikking in de zaak 486085/FA RK 11-2531 van de rechtbank Amsterdam van 21 maart 2012;

  2. de beschikking in de zaak 200.108.646/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 18 december 2012.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3 – 7).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 28 juni 2013.