Personen- en familierecht
Echtscheiding. Vaststelling partneralimentatie. Onjuiste berekening behoefte vrouw. Verwijzing met oog op…
Hoge Raad, 30 januari 2015
ECLI:NL:HR:2015:177 · Hoge Raad · 30 januari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2015-177
Zaakgegevens
Op 30 januari 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 januari 2015
- Datum publicatie
- 29 januari 2015
- Zaaknummer
- 14/02365
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- aanvankelijk mr. L. Kelkensberg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:177
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Echtscheiding. Vaststelling partneralimentatie. Onjuiste berekening behoefte vrouw. Verwijzing met oog op vaststelling terugbetalingsverplichting vrouw (HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225).
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 7 november 2014
ECLI:NL:PHR:2014:1999Uitspraak · 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:735Hoge Raad · 30 januari 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:177
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
30 januari 2015
Eerste Kamer
14/02365
RM/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. L. Kelkensberg, thans mr. J.P. Heering,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 326889/FA RK 12-4067 van de rechtbank Utrecht van 19 december 2012;
b. de beschikking in de zaak 200.123.310 en 200.123.352 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en tot afdoening van de zaak zoals aangegeven onder 2.5 van de conclusie.
3 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw zijn op 21 september 2001 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
(ii) Tussen partijen is echtscheiding uitgesproken.
De echtscheidingsbeschikking is op 2 april 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In dit geding heeft de vrouw onder meer verzocht ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen. De rechtbank heeft die bijdrage met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op nihil gesteld.
Het hof heeft bepaald dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 2 april 2013 op € 434,-- per maand wordt vastgesteld. Daartoe heeft het hof overwogen dat de behoefte van de vrouw € 2.529,32 netto per maand bedraagt en dat zij een netto besteedbaar inkomen heeft van € 2.113,- per maand, zodat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man ter hoogte van € 416,32 netto per maand. Uit een ‘jusvergelijking’ volgt dat de man € 434,-- per maand aan partneralimentatie dient te voldoen.
Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat het hof de behoefte van de vrouw onjuist heeft berekend. Deze klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 5.6 en 5.7 de door de vrouw in het kader van de berekening van haar behoefte opgevoerde posten afzonderlijk besproken en vastgesteld tot welk bedrag met deze posten daarbij rekening wordt gehouden. Wanneer de aldus door het hof vastgestelde bedragen bij elkaar worden opgeteld, resulteert dit in een bedrag van € 2.079,32 en niet, zoals het hof heeft berekend, in een bedrag van € 2.529,32. Gelet op het door het hof vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.113,-- per maand, had het hof dan ook tot het oordeel moeten komen dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage van de man.
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage van de man in haar kosten van levensonderhoud dient te worden afgewezen. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
Verwijzing dient te volgen teneinde vast te stellen of op de vrouw een terugbetalingsverplichting rust ter zake van door de man ter uitvoering van de beschikking van het hof aan de vrouw betaalde bijdragen in haar levensonderhoud (vgl. HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 februari 2014 voor zover daarin is bepaald dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 2 april 2013 op € 434,-- per maand wordt vastgesteld, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 januari 2015.