Personen- en familierecht
Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden, uitsluiting van…
Hoge Raad, 30 oktober 2015
ECLI:NL:HR:2015:3199 · Hoge Raad · 30 oktober 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2015-3199
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2015 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2015
- Datum publicatie
- 30 oktober 2015
- Zaaknummer
- 15/02104
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.H.M. van Swaaij
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:3199
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden, uitsluiting van gemeenschap. Is geld op gemeenschappelijke bankrekening afkomstig van privévermogen? Motivering. Niet doorgaan van deskundigenonderzoek wegens niet voldoen van voorschot; art. 196 lid 2 Rv.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 september 2015
ECLI:NL:PHR:2015:1718Hoge Raad · 30 oktober 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:3199
Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
30 oktober 2015
Eerste Kamer
15/02104
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 212171/FA RK 10-2814 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 april 2011 en 24 december 2012;
b. de beschikkingen in de zaak 200.124.008/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2013, 22 mei 2014, 24 juli 2014 en 5 februari 2015.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 5 februari 2015 heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5-9).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en V. van den Brink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 oktober 2015.