Personen- en familierecht

Art. 80a lid 1 RO. IPR familierecht. Klacht over schending Egyptisch recht. Geen toetsing in cassatie (art…

Hoge Raad, 18 maart 2016

Zaakgegevens

Op 18 maart 2016 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18 maart 2016
Datum publicatie
18 maart 2016
Zaaknummer
15/05775
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:455
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. IPR familierecht. Klacht over schending Egyptisch recht. Geen toetsing in cassatie (art. 79 lid 1, onder b, RO).

Procesgang

  1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 3 juni 2014

    ECLI:NL:GHARL:2014:4920
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 3 februari 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:795
  3. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 september 2015

    ECLI:NL:GHARL:2015:6992
  4. Conclusie A-G · 22 januari 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:6
  5. Hoge Raad · 18 maart 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:455

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Uitspraak

18 maart 2016

Eerste Kamer

15/05775

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,

t e g e n

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaken 180379/FA RK 10-5331 en 179485/FA RK 10-4994 van de rechtbank Midden-Nederland van 5 augustus 2013;

b. de beschikkingen in de zaak 200.136.404/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2014, 3 februari 2015, 19 februari 2015 en 15 september 2015.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikkingen van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 maart 2016.