Personen- en familierecht

Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Verzoek tot limitering (art. 1:157 lid 4…

Hoge Raad, 10 februari 2017

Zaakgegevens

Op 10 februari 2017 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 februari 2017
Datum publicatie
9 februari 2017
Zaaknummer
16/05124
Procedure
Cassatie
Advocaat
mr. R.K. van der Brugge
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:212
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art. 80a lid 1 RO. Personen- en familierecht. Partneralimentatie. Verzoek tot limitering (art. 1:157 lid 4 BW). Motiveringsplicht.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 16 december 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:1338
  2. Hoge Raad · 10 februari 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:212

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

10 februari 2017

Eerste Kamer

16/05124

LZ/JS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.K. van der Brugge,

t e g e n

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak C/10/452755/FA RK 14-4576 en C/10/461995/FA RK 14-8693 van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.175.824/01 en 200.175.826/01 van het gerechtshof Den Haag van 20 juli 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4-9).

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar door de raadsheer G. de Groot op 10 februari 2017.