Personen- en familierecht
Jeugdrecht. Verlenging ondertoezichtstelling mogelijk nadat bestaande ondertoezichtstelling is geëindigd?…
Hoge Raad, 9 juli 2021
ECLI:NL:HR:2021:1113 · Hoge Raad · 9 juli 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/civiel-recht/personen-en-familierecht/cassatie/ecli-nl-hr-2021-1113
Zaakgegevens
Op 9 juli 2021 heeft de Hoge Raad in cassatie uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juli 2021
- Datum publicatie
- 9 juli 2021
- Zaaknummer
- 20/02715
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- CassatieCassatieHet laatste rechtsmiddel: de Hoge Raad beoordeelt alleen of het recht goed is toegepast en of de uitspraak voldoende is gemotiveerd. De feiten staan dan vast.Meer uitleg
- Advocaat
- F.J. Fernhout
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2021:1113
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Jeugdrecht. Verlenging ondertoezichtstelling mogelijk nadat bestaande ondertoezichtstelling is geëindigd? Gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 juni 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:4380Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 maart 2021
ECLI:NL:PHR:2021:263Hoge Raad · 9 juli 2021deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2021:1113
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 20/02715
Datum 9 juli 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de vader,
advocaat: F.J. Fernhout,
tegen
1. WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de GI,
niet verschenen,
2. [de moeder],
wonende te [woonplaats],
hierna: de moeder,
3. [de pleegouders],
wonende te [woonplaats],
hierna: de pleegouders,
VERWEERSTERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
-
de beschikking in de zaak C/08/237134 /JE RK 19-1620 van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel van 28 november 2019;
-
de beschikking in de zaak 200.274.438 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2020.
De vader heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De GI, de moeder en de pleegouders hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening als in de conclusie in alinea 2.16 vermeld.
De advocaat van de vader heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vader en de moeder zijn ouders van een zoon (hierna: de minderjarige). Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.
(ii) Op 24 november 2011 heeft de kinderrechter de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd.
(iii) De kinderrechter heeft op 10 januari 2018 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een pleeggezin.
(iv) Bij beschikking van 21 november 2018 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar verlengd tot 24 november 2019 en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Op verzoek van de GI heeft de kinderrechter bij beschikking van 28 november 2019 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd voor de duur van een jaar tot 24 november 2020 en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De vader is in hoger beroep gekomen tegen de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft bij beschikking van 9 juni 2020 de beschikking van de kinderrechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.
3 Beoordeling van het middel
In het eerste onderdeel van het middel wordt het volgende betoogd. Een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing kan slechts worden ingewilligd indien sprake is van een ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling liep af op 24 november 2019. De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 november 2019 de ondertoezichtstelling weliswaar verlengd, maar dat was toen niet meer mogelijk omdat de ondertoezichtstelling inmiddels was verlopen. Deze uitspraak sorteerde daarom geen effect. Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte niet ambtshalve heeft geconstateerd dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet mogelijk was omdat de uitspraak tot verlenging van de ondertoezichtstelling geen effect had gesorteerd. De vraag of is voldaan aan de, voor verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijke, voorwaarde dat sprake is van een ondertoezichtstelling, is immers van openbare orde, aldus het onderdeel.
Op grond van art. 1:255 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling. Art. 1:260 lid 1 BW bepaalt dat de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar. Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. Nadat de maatregel van rechtswege is geëindigd, kan deze niet meer worden verlengd. Wel kan de minderjarige in een dergelijk geval, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, opnieuw op grond van art. 1:255 BW onder toezicht worden gesteld.
Art. 1:265b lid 1 BW bepaalt, voor zover relevant, dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. Art. 1:265c lid 2 BW bepaalt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verleend of verlengd indien de minderjarige onder toezicht is gesteld en voor ten hoogste de duur van de ondertoezichtstelling.
Bij beschikking van 28 november 2019 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling, hoewel die was geëindigd op 24 november 2019, verlengd tot 24 november 2020. Tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling is in hoger beroep niet opgekomen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat in de weg aan de door het middel verdedigde opvatting dat de verlenging van de ondertoezichtstelling geen effect sorteert en dat de bij de beschikking uitgesproken ondertoezichtstelling dus geacht wordt niet te bestaan. Het hof diende daarom bij zijn beslissing op het hoger beroep tegen de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing uit te gaan van de door de kinderrechter bij dezelfde beschikking uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling.
De klacht dat het hof ten onrechte niet ambtshalve de beslissing van de kinderrechter tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft vernietigd op de grond dat er geen sprake meer was van een ondertoezichtstelling, faalt daarom.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 9 juli 2021.