Strafrecht overig

HR: 81.1 RO + constatering redelijke termijnschending in cassatie.

Hoge Raad, 14 januari 2014

Zaakgegevens

Op 14 januari 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14 januari 2014
Datum publicatie
14 januari 2014
Zaaknummer
12/02524
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:61
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: 81.1 RO + constatering redelijke termijnschending in cassatie.

Procesgang

  1. Gerechtshof 's-Gravenhage · 7 mei 2012

    ECLI:NL:GHSGR:2012:BX0254
  2. Conclusie A-G · 12 november 2013

    ECLI:NL:PHR:2013:2266
  3. Hoge Raad · 14 januari 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2014:61

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

14 januari 2014

Strafkamer

nr. 12/02524

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 mei 2012, nummer 22/006172-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal constateren dat de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Aangezien de aan de verdachte opgelegde terbeschikkingstelling zich naar haar aard niet voor vermindering leent, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer W.F. Groos als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2014.