Strafrecht overig

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Strafrecht overig

Hoge Raad, 26 mei 2015

Zaakgegevens

Op 26 mei 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26 mei 2015
Datum publicatie
26 mei 2015
Zaaknummer
14/02394
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:1344
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 18 april 2014

    ECLI:NL:GHAMS:2014:1341
  2. Conclusie A-G · 24 maart 2015

    ECLI:NL:PHR:2015:681
  3. Hoge Raad · 26 mei 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:1344

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

26 mei 2015

Strafkamer

nr. S 14/02394

SR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 april 2014, nummer 23/002102-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015.