Strafrecht overig
Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Strafrecht overig
Hoge Raad, 30 juni 2015
ECLI:NL:HR:2015:2379 · Hoge Raad · 30 juni 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/artikel-81-ro-zaken/ecli-nl-hr-2015-2379
Zaakgegevens
Op 30 juni 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Hoge RaadHoge RaadDe hoogste rechter van Nederland in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Hij beoordeelt zaken in cassatie.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 juni 2015
- Datum publicatie
- 25 augustus 2015
- Zaaknummer
- 13/00015
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Artikel 81 RO-zakenArtikel 81 RODe Hoge Raad verwerpt een cassatieklacht met een verkorte motivering, omdat die klacht niet kan slagen en geen belangrijke rechtsvraag opwerpt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:HR:2015:2379
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voor deze uitspraak is nog geen samenvatting beschikbaar.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 mei 2015
ECLI:NL:PHR:2015:1180Hoge Raad · 30 juni 2015deze uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:2379
Uitspraak
30 juni 2015
Strafkamer
nr. S 13/00015
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 november 2012, nummer 23/006146-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het vijfde middel
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 900.000,-.
4 Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
vermindert de geldboete in die zin dat deze € 897.500,-, subsidiair 365 dagen hechtenis, bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren
H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2015.