Strafrecht overig

Hoge Raad · Artikel 81 RO-zaken · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 3 februari 2015 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 februari 2015
Datum publicatie
10 februari 2015
Zaaknummer
14/01250
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2015:252
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 december 2014

    ECLI:NL:PHR:2014:2830
  2. Hoge Raad · 3 februari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2015:252

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

Inhoudsopgave

3 februari 2015

Strafkamer

nr. 14/01250

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 december 2013, nummer 22/006205-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2015.