Strafrecht overig

Te stellen eisen aan appelschriftuur OvJ, art. 410.1 Sv. Kan een formulier, waarin de OvJ slechts d.m.v. het…

Hoge Raad, 1 november 2016

Zaakgegevens

Op 1 november 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 november 2016
Datum publicatie
1 november 2016
Zaaknummer
14/04516
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:2458
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Te stellen eisen aan appelschriftuur OvJ, art. 410.1 Sv. Kan een formulier, waarin de OvJ slechts d.m.v. het aankruisen van hokjes op een voorgedrukt formulier heeft aangegeven wat zijn grieven zijn tegen het vonnis van de Rb, worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven a.b.i. art. 410.1 Sv? HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Amsterdam · 22 augustus 2014

    ECLI:NL:GHAMS:2014:6139
  2. Conclusie A-G · 12 april 2016

    ECLI:NL:PHR:2016:644
  3. Hoge Raad · 1 november 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2016:2458

    Conclusie gevolgd · Overig

Uitspraak

1 november 2016

Strafkamer

nr. S 14/04516

IF/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2014, nummer 23/001603-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M. Berndsen en K. Canatan, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het zevende middel

2.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat die dertien maanden en twee weken, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016.