Strafrecht overig

Veroordeling t.z.v. o.m. wederrechtelijke vrijheidsberoving. Falende, hiertegen gerichte klachten over…

Hoge Raad, 3 oktober 2017

Zaakgegevens

Op 3 oktober 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
3 oktober 2017
Datum publicatie
4 oktober 2017
Zaaknummer
16/00071
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2017:2543
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Veroordeling t.z.v. o.m. wederrechtelijke vrijheidsberoving. Falende, hiertegen gerichte klachten over grondslagverlating en bewijsmotivering. HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 4 juli 2017

    ECLI:NL:PHR:2017:1009
  2. Hoge Raad · 3 oktober 2017deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2017:2543

    Conclusie gevolgd

Uitspraak

3 oktober 2017

Strafkamer

nr. S 16/00071

SLU

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 december 2015, nummer 20/002541-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 28 maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2017.